In deze strafzaak stond de verdachte, een rechtspersoon actief in de melkveehouderij, terecht voor het opzettelijk overschrijden van het fosfaatrecht in de kalenderjaren 2021 en 2022. De economische politierechter had de verdachte veroordeeld tot een geldboete waarvan een deel voorwaardelijk was. De verdachte stelde hoger beroep in met het verzoek tot integrale vrijspraak, subsidiair ontslag van rechtsvervolging, en bij veroordeling een geheel voorwaardelijke geldboete.
Het hof overwoog dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een forfaitaire berekening van de fosfaatproductie, zoals vastgelegd in de Meststoffenwet, en dat de door de verdediging voorgestelde bedrijfsspecifieke methode via de KringloopWijzer niet is aangewezen door de Minister. De verdachte is verantwoordelijk voor correcte registratie van de melkproductie en de aangevoerde onbetrouwbaarheid van de melkrobotgegevens werd niet aannemelijk geacht.
Het hof stelde vast dat de gedragingen van de rechtspersoon kunnen worden toegerekend aan de verdachte en dat sprake was van voorwaardelijk opzet. Het verweer dat er geen materiële wederrechtelijkheid zou zijn omdat de feitelijke fosfaatproductie lager zou zijn, werd verworpen. De kwalificatie werd verbeterd tot overtreding van een voorschrift van de Meststoffenwet door een rechtspersoon.
De strafoplegging werd aangepast: een geldboete van €7.500, waarvan €3.750 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, passend geacht gelet op de ernst, eerdere waarschuwing en draagkracht van de verdachte. Een geheel voorwaardelijke boete werd afgewezen. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige.