Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1200

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
20-003521-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep medeplegen drugshandel en witwassen met strafmatiging

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne en hennep/hasjiesj en witwassen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op, maar het hof vernietigde de straf voor het witwassen wegens onvoldoende bewijs van het verbergen van criminele herkomst.

De verdediging voerde verweer tegen de bewezenverklaring, maar dit werd door het hof verworpen op basis van de bewijsmiddelen. Het hof oordeelde dat het enkele bezit van opbrengsten uit eigen misdrijf niet automatisch witwassen is zonder handelingen gericht op het verhullen van de herkomst.

De strafmaat werd gematigd van 22 maanden naar 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en de proceshouding van de verdachte. Daarnaast werd een taakstraf van 180 uur opgelegd.

Het hof bevestigde verder het beslag op cocaïne en gelastte de teruggave van een sleutelbos. De verdachte werd ontslagen van rechtsvervolging voor het witwassen. De uitspraak werd gedaan op 26 maart 2026 door een meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk en vrijspraak van witwassen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003521-23
Uitspraak : 26 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 december 2023, in de strafzaak met parketnummer 02-088678-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte ter zake van:
feit 1: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en
feit 2: medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en
feit 3: van het plegen van witwassen een gewoonte maken
veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van voorarrest en
- een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.
Verder heeft de rechtbank beslist omtrent het beslag.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 22 maanden met aftrek van voorarrest.
De verdediging heeft verweer gevoerd betreffende de bewezenverklaring.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.
Standpunt verdediging
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Met betrekking tot de strafbaarheid van het bewezenverklaarde onder 3 (witwassen) stelt het hof voorop dat noch de tekst van artikel 420bis, lid 1, sub b van het Wetboek van Strafrecht noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht, ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dit betekent echter niet dat elke gedraging die in artikel 420bis, eerste lid sub b van het Wetboek van Strafrecht is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt.
Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk eveneens dat, in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser een handeling wordt gevergd die erop is gericht om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte begaan misdrijf niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, indien geen gedraging uit het bewijs volgt die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Nu het hof niet heeft kunnen vaststellen dat de verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag, kan het onder feit 3 bewezenverklaarde niet worden gekwalificeerd als witwassen.
De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van feit 3.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof neemt de navolgende strafmaatoverwegingen van de rechtbank over:
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de handel in cocaïne en hennep/hasjiesj
(…).
Door de handel in hard- en softdrugs wordt het grote criminele drugcircuit waaronder het gebruik van verdovende middelen in stand gehouden en kunnen de dealers van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is ook van belang dat drugs veelal verslavend kunnen werken en schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Drugshandel is in toenemende mate de oorzaak van geweldsexplosies, waarbij ook nietsvermoedende burgers worden getroffen.
(…)
Verdachte heeft zich kennelijk om dit alles niet bekommerd en heeft enkel gehandeld uit financieel gewin.
De aard en ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank in beginsel enkel een gevangenisstraf.
(..)
De rechtbank heeft in strafverzwarende zin rekening gehouden met de aard en intensiteit
van de handel, de rol die verdachte hierin heeft gespeeld (..)
Daarnaast het ging om een intensieve drugshandel die al langere tijd bezig
was. Er was sprake van een samenwerking in georganiseerd verband tussen de verschillende verdachten, waarbij verdachte een stevige en essentiële rol heeft gespeeld.
(..)
Het hof vult deze overwegingen van de rechtbank aan met de vaststelling dat de verdachte in eerste aanleg niet is verschenen en ter terechtzitting in hoger beroep een niet serieus te nemen proceshouding heeft ingenomen waarin het tenlastegelegde enkel door hem is ontkend zonder dat daaraan verder handen en voeten is gegeven. De verdachte is in zijn verklaring niet verder gekomen dan het blijven herhalen dat hij zes dagen per week voor [bedrijf] werkzaam is en verder niets van doen heeft met het ten laste gelegde. Door deze procesopstelling heeft de verdachte er geen blijk van gegeven het verwijtbare van zijn handelen in te zien.
Deze opstelling van de verdachte gevoegd bij de ernst van de feiten brengen het hof tot het oordeel dat de strafduur en strafmodaliteit waar de rechtbank voor heeft gekozen niet passend is en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden deze ten nadele van de verdachte wegende factoren beter tot uitdrukking brengt.
Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden meer recht doet aan de gehele situatie. Aan dit oordeel doet niet af dat het hof – anders dan de rechtbank – de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid voor het bewezenverklaarde witwassen als onder 3 is ten laste gelegd.
Met de rechtbank stelt het hof tegelijkertijd vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden.
Het hof stelt de aanvang van deze termijn op de datum van het eerste verhoor van de verdachte op 30 maart 2021 en het einde ervan op de datum van het vonnis zijnde 22 december 2023. Daarmee is de redelijke termijn van twee jaren met ruim 8 maanden overschreden.
Voor wat betreft de fase van het hoger beroep stelt het hof de aanvang van de termijn op 28 december 2023, zijnde de datum waarop door de verdachte hoger beroep is ingesteld. Het einde van de termijn stelt het hof op de datum van dit arrest, zijnde 26 maart 2026. Daarmee is termijn van 2 jaren met ruim 2 maanden overschreden.
Het hof ziet in deze overschrijding aanleiding de duur van voormelde gevangenisstraf te matigen naar 12 maanden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart het onder 3 bewezenverklaarde
nietstrafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Het dictum van het bevestigde vonnis luidt verder:
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: cocaine (G2318411).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 sleutelbos (G2318371).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
Aldus gewezen door:
mr. S.C. van Duijn, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 26 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. S.C. van Duijn is buiten staat dit arrest te ondertekenen.