Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne en hennep/hasjiesj en witwassen. De rechtbank legde een gevangenisstraf op, maar het hof vernietigde de straf voor het witwassen wegens onvoldoende bewijs van het verbergen van criminele herkomst.
De verdediging voerde verweer tegen de bewezenverklaring, maar dit werd door het hof verworpen op basis van de bewijsmiddelen. Het hof oordeelde dat het enkele bezit van opbrengsten uit eigen misdrijf niet automatisch witwassen is zonder handelingen gericht op het verhullen van de herkomst.
De strafmaat werd gematigd van 22 maanden naar 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en de proceshouding van de verdachte. Daarnaast werd een taakstraf van 180 uur opgelegd.
Het hof bevestigde verder het beslag op cocaïne en gelastte de teruggave van een sleutelbos. De verdachte werd ontslagen van rechtsvervolging voor het witwassen. De uitspraak werd gedaan op 26 maart 2026 door een meervoudige kamer van het hof.