ECLI:NL:GHSHE:2026:12

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
20-000411-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen veroordeling voor openlijk in vereniging geweld plegen en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte was eerder veroordeeld voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en voor het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. De politierechter had de verdachte een taakstraf van 120 uren opgelegd en geen straf voor het tweede feit. De officier van justitie ging in hoger beroep, waarbij de advocaat-generaal een zwaardere straf eiste. Tijdens de zitting heeft de verdachte afstand gedaan van een in beslag genomen mes, waardoor het hof geen beslissing over het beslag heeft genomen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 1 januari 2025 in Veen deel uitmaakte van een grote groep die openlijk geweld pleegde tegen de Mobiele Eenheid. De verdachte gooide een bierfles in de richting van de ME, wat door meerdere verbalisanten werd waargenomen. Het hof oordeelde dat de verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voor het tweede feit werd de verdachte schuldig verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000411-25
Uitspraak : 8 januari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 24 januari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-000105-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de politierechter ter zake van ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen’ (feit 1) veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en ter zake van ‘handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 2) schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Voorts heeft de politierechter het inbeslaggenomen mes onttrokken aan het verkeer.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten overstaan van het hof – en in aanwezigheid van zijn raadsvrouw – uitdrukkelijk afstand gedaan van het onder hem inbeslaggenomen mes (goednummer PL2000-2025000260-2811169). Gelet daarop zal het hof geen beslissing nemen over het beslag.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van feit 1 zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 5 jaren aan de verdachte zal opleggen, in de vorm van een locatieverbod voor verscheidene straten in [locatie] , waarbij een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 maand per overtreding met een maximum van 6 maanden. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat het hof zal bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Ter zake van feit 2 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zal toepassen en de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
De verdediging heeft primair (partiële) vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde bepleit. De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat er sprake is geweest van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. In dat kader heeft de verdediging primair bepleit dat het geconstateerde vormverzuim dient te leiden tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat strafvermindering dient te volgen. Meer subsidiair heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Veen, althans in Nederland, openlijk, te weten op de kruising van de Witboomstraat en de Van der Loostraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de leden van de Mobiele Eenheid, althans een of meerdere personen, door
  • te joelen en/of schreeuwen, en/of
  • de Mobiele Eenheid te provoceren, en/of
  • glazen flessen in de richting van de Mobiele Eenheid te gooien;
  • stenen in de richting van de Mobiele Eenheid te gooien;
  • vuurwerk af te steken en/of in de richting van de Mobiele Eenheid te gooien.
2.
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te Veen, gemeente Altena, een wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een mes (merk/type Homeij Night Hawk) zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 1 januari 2025 te Veen, openlijk, te weten op de kruising van de Witboomstraat en de Van der Loostraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen de leden van de Mobiele Eenheid, door
  • te joelen en schreeuwen, en
  • glazen flessen in de richting van de Mobiele Eenheid te gooien;
  • vuurwerk af te steken en in de richting van de Mobiele Eenheid te gooien.
2.
hij op 1 januari 2025 te Veen, een wapen van categorie IV, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een mes (merk/type Homeij Night Hawk) zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
II. Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
III. De verdediging heeft – onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde pleitnota – ter terechtzitting in hoger beroep (partiële) vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging in de kern aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte niet kunnen worden gekwalificeerd als openlijke geweldpleging. In het procesdossier wordt te algemeen en summier geverbaliseerd om te kunnen vaststellen dat er sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de andere personen op het kruispunt. De verdachte heeft met zijn handelen geen significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan enige vorm van groepsgeweld en heeft geen opzet gehad op de eventuele geweldshandelingen van de andere personen. Het handelen van de verdachte dient te worden bezien als een op zichzelf staande handeling, een eenmansactie, aldus de verdediging. In dat kader heeft de verdediging verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juni 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:4458).
Het hof overweegt als volgt.
Naar bestendige jurisprudentie vereist de uitleg van het ‘in vereniging’ plegen van geweld twee onderling nauw samenhangende voorwaarden, namelijk dat de verdachte in samenwerking met een ander of anderen deel uitmaakt van het samenwerkingsverband dat het openlijke geweld heeft gepleegd en dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Van de laatstgenoemde voorwaarde is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt – het getalsmatig versterken – is evenwel niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. Welbewust een bijna zekere confrontatie aangaan en meegaan in de aanvalsgolf met anderen, is meer dan het slechts getalsmatig versterken van een groep (vgl. Hoge Raad 8 februari 2011, NJ 2011/82).
Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, en het vorenoverwogene blijkt naar het oordeel van het hof het volgende.
De verdachte was op 1 januari 2025 tijdens de jaarwisseling aanwezig in Veen en tijdens nieuwjaarsnacht werden er voertuigen in brand gestoken op de kruising met de Witboomstraat en de Van der Loostraat. In de omgeving daarvan was een grote groep personen aanwezig van naar schatting meer dan 100 personen. Het was van belang dat er een veilige werkruimte voor de brandweer werd gecreëerd, zodat de branden konden worden geblust en de gemeente de voertuigen kon laten afslepen.
[Verbalisant 1] is als sectiecommandant van de Mobiele Eenheid (hierna: ME) naar de kruising gegaan en trof bij aankomst een grote brand aan. [Verbalisant 1] heeft middels de dakmegafoon van de commandowagen tweemaal gevorderd dat eenieder aanwezig op de kruising en aanwezig in de omgeving van de kruising zich onmiddellijk diende te verwijderen, met de mededeling dat als daar geen gevolg aan zou worden gegeven de wapenwerper zou worden ingezet en er door de ME geweld zou kunnen worden toegepast. [Verbalisant 1] heeft geverbaliseerd dat een gedeelte van de groep gevolg gaf aan de vordering en de kruising verliet, maar dat het andere gedeelte van de groep van ongeveer 50 personen bleef staan. Deze personen waren aan het joelen en aan het schreeuwen, hetgeen tevens door een andere verbalisant is waargenomen.
Daaropvolgend namen meerdere verbalisanten waar dat er vuurwerk en flessen vanuit de groep in de richting van de ME werden gegooid. Zo heeft [Verbalisant 1] verklaard dat de flessen op de grond uit elkaar knalden en dat het vuurwerk voor en tussen de leden van de ME ontplofte. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] blijkt dat hij heeft gevoeld dat er voorwerpen tegen zijn schild aankwamen en dat hij bij het afketsen van de voorwerpen op het schild glasgerinkel op de grond hoorde. Tevens hoorde hij op korte afstand harde knallen en voelde hij stukken tegen zijn benen aankomen, waarvan hij het vermoeden had dat dit zwaar vuurwerk betrof. Tot slot blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] dat hij heeft waargenomen dat er door personen voorwerpen werden gegooid in de richting van de collega’s van de ME en dat dit onder andere ontstoken vuurwerk en glazen flessen betroffen.
Vervolgens hebben meerdere verbalisanten gezien dat de verdachte een bierfles in de richting van de ME heeft gegooid. [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij zag dat er rechts van hem personen vanuit de linie naar voren kwamen en dat een persoon (
hof: de later geïdentificeerde verdachte) een gooiende beweging maakte met een bierfles in de hand, die in de richting van de ME werd gegooid. De agent in burger die de verdachte uiteindelijk heeft aangehouden, stond op korte afstand van de verdachte, en ook hij nam waar dat de verdachte een bierfles richting de linie van de ME heeft gegooid.
Het hof is, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden, van oordeel dat de verdachte in samenwerking met een ander of anderen deel heeft uitmaakt van het samenwerkingsverband dat het openlijke geweld heeft gepleegd. Daartoe overweegt het hof dat op enig moment tweemaal is gevorderd dat de personen die aanwezig waren op of in de omgeving van de kruising zich onmiddellijk dienden te verwijderen. Een gedeelte van de groep gaf gehoor aan de vordering en heeft de kruising vervolgens verlaten. Een ander gedeelte van de groep, naar schatting ongeveer 50 personen, heeft de vordering genegeerd, waarna er werd gejoeld, geschreeuwd en er flessen en vuurwerk in de richting van de leden van de ME werden gegooid. Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van de groep die geen gehoor heeft gegeven aan de vordering tot verwijdering. De verdachte heeft zich dus niet onttrokken van de groep die het geweld pleegde, ondanks dat hij hiertoe wel de mogelijkheid had, temeer nu juist door de ME werd gevorderd dat de personen de kruising moesten verlaten. In dat kader is het niet van belang of door de verdachte wel of geen afspraken zijn gemaakt om deel uit te maken van deze groep en zich daarbij aan te sluiten. Hiermee heeft de verdachte bewust gekozen voor deelname aan de groep die openlijk geweld pleegde en heeft aldus door zijn aanwezigheid in de groep en zijn handelen blijk gegeven van zijn intentie die was gericht op het plegen van geweld. Zijn aanwezigheid heeft geleid tot een getalsmatige vermeerdering van de groep en daarmee tot een bijdrage aan de sfeer van ontremming, die tot het geweld jegens leden van de ME heeft geleid. Door een van de betrokken leden van de ME wordt de situatie beschreven als een scène uit een oorlogsfilm, hetgeen treffend weergeeft in hoeverre de situatie was geëscaleerd.
Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het in vereniging gepleegde openlijk geweld. De verdachte heeft, terwijl vanuit de groep waar de verdachte deel van uitmaakte vuurwerk en flessen in de richting van de ME werden gegooid, zelf een bierfles gegooid in de richting van de ME. Deze handeling is door verscheidene verbalisanten waargenomen en kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een ‘eenmansactie’.
Nu verdachte dus naar het oordeel van het hof zowel deel heeft uitgemaakt van het samenwerkingsverband dat het geweld heeft gepleegd als een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging, komt het hof tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering
De verdediging heeft – onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde pleitnota – ter terechtzitting in hoger beroep in het kader van het onder feit 1 tenlastegelegde bepleit dat er sprake is geweest van een vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat een agent in burger de verdachte (op agressieve wijze) heeft benaderd en heeft geprobeerde om de verdachte staande te houden, waarna de verdachte op enig moment een klap tegen zijn voorhoofd heeft gekregen met de wapenstok van de politieagent. De verdediging heeft bepleit dat de wapenstok niet conform de regels is ingezet en dat evenmin sprake is van een uitzonderingssituatie waardoor de politie de inzet van dit wapen niet had hoeven aan te kondigen. Op grond van de ambtsinstructie had de politieagent moeten waarschuwen dat de wapenstok zou worden ingezet, maar de waarschuwing is zonder reden achterwege gelaten. De politieagent heeft ongeoorloofd en buitenproportioneel geweld toegepast en de verdachte heeft letsel opgelopen als gevolg van de handelswijze van de politie, aldus de verdediging. Tot slot heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet heeft gehoord dat de agent in burger zich bekend heeft gemaakt als politieagent. De verdediging heeft het hof gelet op het geconstateerde vormverzuim primair verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toe te passen en de verdachte zodoende schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel en heeft subsidiair verzocht om strafvermindering toe te passen.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het procesdossier volgt dat de agent in burger op een korte afstand waarnam dat de verdachte een bierfles richting de linie van de ME gooide. De verbalisant pakte de verdachte vervolgens vast en riep dat de verdachte was aangehouden. Vervolgens merkte de verbalisant dat de verdachte in verzet ging en het gevecht aanging. De verbalisant heeft verklaard dat hij voelde dat de verdachte zich probeerde los te trekken en om zich heen sloeg. Een andere agent in burger pakte de verdachte vast en de verdachte ging met deze verbalisant het gevecht aan. De verbalisant die de verdachte als eerste had beetgepakt, liet de verdachte los en zag dat de verdachte met zijn rug naar hem gedraaid stond. De verbalisant wilde de verdachte ter hoogte van zijn rechterarm met zijn wapenstok slaan om het verzet te doen staken. Op het moment dat de wapenstok door de verbalisant werd ingezet, draaide de verdachte om en boog de verdachte deels voorover, waarna de wapenstok het voorhoofd van de verdachte heeft geraakt.
Het hof is van oordeel dat, gelet op het feit dat de verdachte zich blijkens het relaas van de verbalisant heeft verzet tegen de aanhouding, in dit geval sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12e onder b van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Dit betrof immers een situatie waarin de verbalisant onder de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat de verdachte zich aan de aanhouding probeerde te onttrekken. Het hof is, mede gelet op de omstandigheden waaronder dit incident heeft plaatsgevonden, van oordeel dat het noodzakelijk was voor de verbalisant om direct actie te ondernemen en in te grijpen in de onderhavige situatie om erger te voorkomen. Dientengevolge is het hof van oordeel dat de waarschuwing van de verbalisant aan de verdachte dat hij de wapenstok zou gaan inzetten, in deze situatie achterwege mocht blijven. Dit staat los van het feit dat het vervelend is voor de verdachte dat hij op een ongelukkige plek is geraakt met de wapenstok.
Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet zou hebben gehoord dat de agent in burger zich bekend zou hebben gemaakt als politie, overweegt het hof dat er geen reden bestaat om eraan te twijfelen dat de verbalisant zich heeft geïdentificeerd. Gelet op de omstandigheden en het feit dat de situatie al ernstig was ontregeld en geëscaleerd en er op grote schaal politie was ingezet, wist de verdachte dat hij met de politie van doen had.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de inzet van de wapenstok geoorloofd was en er geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Op te leggen straf
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om geen gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, ook niet in voorwaardelijke vorm, maar om te volstaan met de oplegging van een taakstraf of een geldboete. Voorts heeft de verdediging verzocht om geen vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, op te leggen aan de verdachte gelet op het feit dat de gemeente reeds preventief aan de verdachte een last onder dwangsom en een gebiedsverbod voor [locatie] heeft opgelegd gedurende de periode van 1 december 2025 tot en met 4 januari 2026.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, namelijk tegen leden van de ME. De verdachte maakte onderdeel uit van een grote groep personen die tijdens de jaarwisseling 2024-2025 aanwezig waren in Veen. Op een kruispunt in Veen waren voertuigen in de brand gestoken en de assistentie van de ME werd ingeroepen om een veilige werkruimte voor de brandweer te creëren. Een deel van de groep heeft zich op een gewelddadige wijze tegen de leden van de ME gekeerd. Daarbij zijn er vanuit de groep onder meer flessen en vuurwerk naar de leden van de ME gegooid. De verdachte heeft daarnaast een bierfles in de richting van de ME gegooid. De verdachte en de groep waartoe hij behoorde hebben in aanzienlijke mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de ME-leden en zijn volstrekt voorbijgegaan aan hun ambtelijk gezag en het publieke belang dat door de ME-leden werd gediend. De leden van de ME traden juist op om de openbare orde te handhaven en de veiligheid van de burgers te waarborgen. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat feiten als de onderhavige, die zich in het openbaar afspelen, leiden tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Voorts is bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het dragen van een mes dat gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het is aangetroffen redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt grote risico’s met zich voor de veiligheid van personen.
Het hof heeft tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 oktober 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging in dat kader naar voren gebracht dat de verdachte sinds dit incident niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie en eigenaar is van een goedlopend bedrijf in de export van planten waarvoor hij 7 dagen per week werkzaam is.
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met enkel een taakstraf of een geldboete, zoals door de verdediging is bepleit.
Dientengevolge acht het hof ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde oplegging van voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, ziet het hof geen aanleiding om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, in de vorm van een locatieverbod, op te leggen. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat aan de verdachte door de gemeente reeds preventief een last onder dwangsom en een gebiedsverbod zijn opgelegd. Het hof is van oordeel dat, gelet op de combinatie van de bestuurlijke maatregel en de proeftijd voor de duur van 3 jaren die is verbonden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf, geen grond bestaat om tevens een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof ter zake van het onder feit 2 bewezenverklaarde van oordeel dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
bepaalt dat ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd;
veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. T. van de Woestijne en mr. C.A. van Roosmalen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Vessem, griffier,
en op 8 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. T. van de Woestijne is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.