In hoger beroep is de verdachte, een rechtspersoon die een melkveebedrijf exploiteert, veroordeeld voor het opzettelijk overschrijden van het fosfaatrecht in de kalenderjaren 2019 en 2020, in strijd met artikel 21b van de Meststoffenwet. De verdediging voerde aan dat de fosfaatproductie lager was dan forfaitair berekend en dat de KringloopWijzer een betere, bedrijfsspecifieke methode zou zijn, maar het hof verwierp dit omdat de wetgever expliciet heeft gekozen voor een forfaitaire berekening.
Het hof nam de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte mee als aanvullend bewijs en oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had, omdat hij bewust de kans aanvaardde dat de fosfaatproductie hoger was dan het toegestane recht. De verdediging stelde ook dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak, maar dit werd verworpen omdat de wetgever de forfaitaire methode voorschrijft.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van de overtreding, de draagkracht van de verdachte en eerdere strafzaken met soortgelijke feiten. Het hof legde een geldboete van €7.250 op, waarvan €3.500 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, en bracht een korting toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Het hof verwierp het verzoek om een geheel voorwaardelijke boete.
De uitspraak bevestigt het belang van naleving van het fosfaatrechtenstelsel en de keuze van de wetgever voor een forfaitaire berekeningsmethode, waarmee de verdachte gehouden is rekening te houden.