Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1185

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
200.361.252_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:629a BWArt. 7:668a BWArt. 7:660a BWArt. 7:761 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek loondoorbetaling bij ziekte na bedrijfsongeval en arbeidsconflict

De werknemer, geboren in 1984, verrichtte seizoensarbeid voor de werkgever met drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Op 23 april 2024 raakte zij arbeidsongeschikt door een bedrijfsongeval waarbij zij haar been brak. In oktober 2024 meldde zij zich opnieuw ziek vanwege een arbeidsconflict en vertrok naar Polen. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per 31 december 2024.

De werknemer vorderde vernietiging van de opzegging en betaling van achterstallig loon over januari tot en met mei 2025. De kantonrechter oordeelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en vernietigde de opzegging, maar wees het verzoek tot loondoorbetaling af omdat niet was gebleken dat de werknemer zich beschikbaar hield voor werk.

In hoger beroep richtte de werknemer zich op loondoorbetaling bij ziekte op grond van artikel 7:629 BW Pro. De werkgever betwistte de arbeidsongeschiktheid en stelde dat de werknemer geen deskundigenverklaring had overgelegd zoals vereist in artikel 7:629a BW. Het hof oordeelde dat de werknemer niet aan deze verplichting had voldaan en dat het verschil van mening over arbeidsongeschiktheid de uitzondering op deze regel niet toepasbaar maakte. Het hof bekrachtigde daarom de afwijzing van het verzoek tot loondoorbetaling en veroordeelde de werknemer in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot loondoorbetaling bij ziekte af wegens het ontbreken van een deskundigenverklaring en bekrachtigt de eerdere beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 7 mei 2026
Zaaknummer : 200.361.252/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11568485 \ AZ VERZ 25-9
in de zaak in hoger beroep van:
[de werknemer],
wonende te Polen, voor deze zaak woonplaats kiezende te Rotterdam
ten kantore van haar advocaat,
verzoekster in hoger beroep,
hierna aan te duiden als [de werknemer] ,
advocaat: mr. M.Y. van Oel te Rotterdam,
tegen

1.Maatschap [verweerder sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [verweerder sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
3. [verweerder sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
verweerders,
hierna samen aan te duiden als [de werkgever] ,
advocaat: mr. S. Bocu te Tilburg.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom , van 29 juli 2025.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2025;
  • het verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 februari 2026;
  • productie 9 behorend bij het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 februari 2026;
  • het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 3 juni 2025, ingekomen ter griffie op 20 maart 2026;
- de op 26 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
- namens [de werknemer] : mr. Van Oel; [de werknemer] is zelf – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen;
- namens [de werkgever] : de heer [verweerder sub 3] (verweerder sub 3), bijgestaan door mr. Bocu.
2.2.
Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op de hiervoor onder 2.1 vermelde stukken.

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.1.1.
[de werknemer] , geboren op [geboortedatum] 1984, heeft seizoensarbeid verricht voor [de werkgever] (sorteren van aardappelen). Partijen hebben (in ieder geval) drie opeenvolgende schriftelijke arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met elkaar gesloten. De eerste arbeidsovereenkomst betrof de periode van 19 september 2022 tot 31 december 2022, de tweede arbeidsovereenkomst betrof de periode van 1 januari 2023 tot 31 december 2023 en de derde arbeidsovereenkomst betrof de periode van 1 januari 2024 tot 31 december 2024. In de periode gelegen vóór 19 september 2022 is [de werknemer] ook al werkzaam geweest voor [de werkgever] .
3.1.2.
Op 23 april 2024 is [de werknemer] arbeidsongeschikt geraakt vanwege een bedrijfsongeval. Zij werd aangereden door een heftruck en heeft daarbij haar been gebroken.
3.1.3.
In oktober 2024 heeft [de werknemer] zich opnieuw ziekgemeld, vanwege een arbeidsconflict tussen haar en een collega. Daarna is zij vertrokken naar Polen.
3.1.4.
Per brief van 12 november 2024 heeft [de werkgever] aan [de werknemer] aangezegd dat de op 1 januari 2024 ingegane arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en dat deze daarom eindigt op 31 december 2024.
De procedure in eerste aanleg
3.2.
[de werknemer] heeft de kantonrechter verzocht (na tweemaal haar verzoek te hebben gewijzigd) de door [de werkgever] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en [de werkgever] te veroordelen tot betaling van achterstallig salaris over de periode januari tot en met mei 2025, ter hoogte van € 13.084,15 bruto, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.1.
Aan dit verzoek heeft [de werknemer] - kort samengevat - het volgende ten grondslag gelegd. Sinds de datum van indiensttreding op - volgens [de werknemer] - 1 april 2019, is sprake van een aaneenschakeling van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waardoor op grond van artikel 7:668a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Anders dan [de werkgever] beweert, is de arbeidsovereenkomst daarom niet per 31 december 2024 geëindigd. Ten onrechte heeft [de werkgever] na die datum geen loon meer betaald aan [de werknemer] , aldus [de werknemer] in eerste aanleg.
3.3.
[de werkgever] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover in hoger beroep van belang, komt dat verweer hierna aan de orde.
3.4.
In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter - zakelijk weergegeven - geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat maakt dat de opzegging van [de werkgever] per brief van 12 november 2024 in strijd is met artikel 7:761 lid 1 BW Pro. De kantonrechter heeft dan ook de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd. Het verzoek tot doorbetaling van loon heeft de kantonrechter evenwel afgewezen, omdat niet is gebleken dat [de werknemer] zich in de periode na 31 december 2024 beschikbaar heeft gehouden voor werk.
De verzoeken in hoger beroep
3.5.
[de werknemer] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Grief 1 en grief 2 hebben betrekking op de door de kantonrechter vastgestelde datum van indiensttreding. Grief 3 keert zich tegen de afwijzing van het verzoek tot loondoorbetaling.
[de werknemer] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking voor zover daarbij haar verzoek tot betaling van het achterstallig loon over de periode januari tot en met mei 2025 is afgewezen en tot het alsnog toewijzen van haar verzoek tot betaling van het achterstallig loon, met dien verstande dat zij thans verzoekt tot betaling van een bedrag van
€ 26.168,30 bruto over de maanden januari tot en met oktober 2025. Daarnaast heeft zij de wettelijke verhoging over het niet tijdig betaalde loon verzocht en de wettelijke rente over het achterstallige loon en de wettelijke verhoging, met veroordeling van [de werkgever] in de kosten van het geding in beide instanties.
3.6.
[de werkgever] heeft het hof verzocht bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden, [de werknemer]
niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, dan wel haar grieven als ongegrond te verwerpen, dan wel haar verzoeken af te wijzen. Voorts heeft [de werkgever] verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover in hoger beroep aangevallen. Ten slotte heeft [de werkgever] verzocht de proceskostenveroordeling in eerste aanleg te bekrachtigen, met veroordeling van [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met (kort gezegd) de wettelijke rente en de nakosten.
Grieven 1 en 2: datum van indiensttreding
3.7.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof heeft [de werkgever] (desgevraagd) verklaard dat standpunt van de kantonrechter te volgen en zich daartegen niet (meer) te verzetten. Tussen partijen staat dus vast dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, die nog steeds doorloopt.
3.7.1.
De advocaat van [de werknemer] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard de eerste twee grieven over de juiste datum van indiensttreding te hebben aangevoerd in verband met (de berekening van) de transitievergoeding. Echter, de transitievergoeding is in deze procedure niet aan de orde (hetgeen de advocaat van [de werknemer] overigens ter zitting ook heeft bevestigd) nu tussen partijen immers nog steeds sprake is van een (lopende) arbeidsovereenkomst. Het hof gaat dan ook voorbij aan de grieven 1 en 2, wegens gebrek aan belang.
Grief 3: loondoorbetaling
3.8.
Tijdens de mondelinge behandeling bij dit hof heeft de advocaat van [de werknemer] (desgevraagd) verklaard dat zij haar verzoek tot doorbetaling van het loon alleen heeft gegrond op artikel 7:629 BW Pro (loondoorbetaling bij ziekte). In dat kader heeft [de werknemer] aangevoerd dat zij op 23 april 2024 arbeidsongeschikt is geraakt door een bedrijfsongeval. In oktober 2024 heeft zij zich opnieuw ziek gemeld. [de werkgever] was hiervan op de hoogte. Volgens [de werknemer] betwist [de werkgever] ook niet dat zij ziek was/is.
3.9.
Volgens [de werkgever] (samengevat) moet het verzoek tot doorbetaling van het loon voor zover gestoeld op artikel 7:629 BW Pro worden afgewezen, omdat [de werkgever] niet ziek is. De hernieuwde ziekmelding in oktober 2024 was naar aanleiding van een conflict tussen [de werknemer] en een Roemeense collega. [de werknemer] wenste geen medewerking te verlenen aan door [de werkgever] aangeboden mediation en arbeid op een andere locatie was ook geen optie voor [de werknemer] . Zij gaf [de werkgever] duidelijk te kennen geen toekomst meer te zien in een verdere arbeidsrelatie met [de werkgever] en is naar Polen vertrokken. De door [de werkgever] ingeschakelde arbodienst heeft [de werknemer] per 31 december 2024 voor 100% hersteld verklaard en [de werkgever] heeft haar per die datum dan ook hersteld gemeld. Daarna heeft geen nieuwe ziekmelding door (of namens) [de werknemer] plaatsgevonden. Ook heeft [de werknemer] niet op enig moment alsnog gevraagd om een bedrijfsarts in te schakelen danwel re-integratie-activiteiten op te starten. Volgens [de werkgever] mist artikel 7:629 BW Pro dus toepassing.
Voor zover [de werknemer] zich erop blijft beroepen dat zij als gevolg van ziekte niet in staat was en is om de overeengekomen arbeid te verrichten, heeft zij nagelaten bij haar verzoek een verklaring van een zogenoemde UWV-deskundige over te leggen omtrent haar verhindering om de arbeid te verrichten, zoals bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW. Uit die bepaling volgt (ook) dat het verzoek tot doorbetaling van het loon voor zover betrekking hebbend op artikel 7:629 BW Pro, niet toewijsbaar is, aldus [de werkgever] .
3.10.
Het hof overweegt als volgt.
3.10.1.
Ingevolge artikel 7:629 BW Pro heeft een werknemer - kort gezegd - recht op loon bij ziekte. Op grond van het bepaalde in artikel 7:629a lid 1 BW wijst de rechter een vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 7:629 BW Pro af, indien bij de eis niet een verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW.
[de werknemer] had daarom in beginsel, op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in haar verzoek, een dergelijke verklaring bij het indienen van haar loonvordering tegen [de werkgever] bij de kantonrechter moeten overleggen. Zij heeft dat echter niet gedaan. In hoger beroep kan zij dat verzuim niet herstellen en dat heeft zij ook niet gedaan, nu [de werknemer] ook in hoger beroep geen deskundigenverklaring heeft overgelegd.
3.10.2.
Op grond van artikel 7:629a lid 2 BW gaat het voorgaande niet op indien de verhindering om de arbeid te verrichten wegens ziekte niet door [de werkgever] wordt betwist, zoals [de werknemer] (in grief 3 en ter zitting van dit hof) ook heeft gesteld. Het hof is van oordeel dat, gelet op wat [de werkgever] op dit punt heeft aangevoerd (en hiervoor samengevat is weergegeven onder 3.9), wel degelijk sprake is van een verschil van mening over de vraag of [de werknemer] arbeidsongeschikt is om haar werk bij [de werkgever] te verrichten ten gevolge van ziekte. Ook in eerste aanleg heeft [de werkgever] betwist dat [de werknemer] arbeidsongeschiktheid is, zo blijkt uit de verklaring van de advocaat van [de werkgever] op pagina 3 (bovenaan) van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg:
“Als ze nu zegt dat ze arbeidsongeschikt is, dan begrijpt [de werkgever] niet wat er aan de hand is. Ze is op eigen gelegenheid afgereisd naar Polen. Mevrouw had een deskundigenoordeel aan haar verzoekschrift moeten toevoegen waaruit blijkt dat ze arbeidsongeschikt is. De arbeidsongeschiktheid wordt door [de werkgever] betwist.”
Gelet op de informatie van de bedrijfsarts dat [de werknemer] op 31 december 2024 hersteld uit dienst zou gaan (producties 8 en 9) en de gemotiveerde (verdere) betwisting van [de werkgever] dat [de werknemer] arbeidsongeschikt is ten gevolge van ziekte, lag het op de weg van [de werknemer] om een deskundigenbericht als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW over te leggen. Bij gebreke van een stelling van [de werknemer] die in een andere richting wijst, moet het ervoor worden gehouden dat dit in redelijkheid ook van haar kon worden gevergd. De (tweede) uitzondering van artikel 7:629a lid 2 BW is dan ook niet van toepassing.
Conclusie
3.11.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 3 niet slaagt en dat het hof het verzoek van [de werknemer] tot doorbetaling van het loon bij ziekte (artikel 7:629 BW Pro) zal afwijzen, nu zij niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 7:629a lid 1 BW.
3.12.
Hetgeen overigens over en weer door partijen is aangevoerd, behoeft geen bespreking.
3.13.
Het hof zal de beschikking van beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - bekrachtigen, zij het op een andere grond.
Proceskosten
3.14.
Het hof zal [de werknemer] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de werkgever] zullen vastgesteld worden op:
  • griffierecht € 827,-
  • salaris advocaat € 2.580,- (2 punt x tarief II)
  • nakosten
Totaal € 3.596,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;
veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep van € 3.596,-, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [de werknemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [de werknemer] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.I.M.W. Bartelds, F.M.T. Quaadvliet en N. Zekić en is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026