De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 27 maart 2026, zakelijk weergegeven:
Het klopt dat ik op 10 december 2022, omstreeks 18:05 uur, de bestuurder was van de personenauto met het kenteken [kenteken 2] op het Koninginneplein te Venlo.
Het klopt dat ik meteen uit de auto ben gestapt nadat de scooterbestuurder op de grond was gevallen met zijn scooter.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Daartoe is door de raadsvrouw – kort gezegd – aangevoerd dat de eerdere verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] , in vergelijking met de verklaringen die zij later hebben afgelegd bij de raadsheer-commissaris, elkaar tegenspreken, waardoor er getwijfeld kan worden aan de geloofwaardigheid hiervan. Waar de verklaringen van verdachte, haar vader [betrokkene] en de bijrijder, getuige [getuige 2] , elkaar tegenspreken, is de taalbarrière daar vermoedelijk de oorzaak van en dienen daar derhalve geen gevolgen aan verbonden te worden. Door de veelvuldigheid aan verklaringen valt niet vast te stellen wat er precies heeft plaatsgevonden op de rotonde. Er is in ieder geval geen sprake van het achterlaten in een hulpeloze toestand in de zin van artikel 7, eerste lid, onderdeel c Wegenverkeerswet. De aangever onderbouwt evenmin de schade aan zijn scooter of het letsel dat hij zou hebben ondervonden als gevolg van de vermeende aanrijding. Er is daardoor ook niet voldaan aan het bewijsminimum voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde onderdelen a en b van artikel 7, eerste lid Wegenverkeerswet, als gevolg waarvan integrale vrijspraak dient te volgen, aldus de raadsvrouw.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Op grond van de stukken in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is het hof gebleken dat verdachte, als bestuurder van een personenauto, op 10 december 2022 op het Koninginneplein te Venlo, aangever heeft aangereden terwijl laatstgenoemde op zijn scooter reed. Als gevolg daarvan is aangever hard met zijn scooter ten val gekomen en is er schade ontstaan aan de scooter van aangever. Hoewel de schade niet nader is onderbouwd door aangever acht het hof de verklaring van aangever over de toedracht van de aanrijding en de daardoor veroorzaakte schade bevestigd in de getuigenverklaring van [getuige 1] , die het ongeval heeft zien gebeuren en sprak van een flinke aanrijding. Aangever is vervolgens met zijn scooter omhoog geholpen door omstanders, terwijl verdachte vervolgens is weggereden zonder haar contactgegevens achter te laten of zich op andere wijze om aangever te bekommeren.
Het hof is van oordeel dat verdachte na de aanrijding redelijkerwijs moest vermoeden dat (de scooter van) aangever schade had opgelopen omdat deze ten val was gekomen, omdat zij meteen uit de auto is gestapt nadat aangever met zijn scooter is gevallen en ook gezien moet hebben dat aangever gevallen was. Dat laatste volgt naar het oordeel van het hof uit het feit dat zij erg geschrokken was van het incident en heeft gezien dat haar broertje aangever van de weg af heeft geholpen. Dat verdachte dit gezien heeft wordt bovendien bevestigd door getuige [getuige 1] die verklaarde dat de verdachte uitstapte en zag wat er gebeurd was. Daar de verdachte gezien heeft dat de aangever met de scooter gevallen was, had zij moeten controleren of er sprake was van schade aan de scooter en/of haar contactgegevens aan aangever moeten geven, voordat zij de plaats van het ongeval verliet.
Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de plaats van het ongeval heeft verlaten terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat er schade was toegebracht, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b Wegenverkeerswet.
Het verweer van de raadsvrouw wordt weerlegd door het hiervoor overwogene en de feiten en omstandigheden als vervat in de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd en behoeft derhalve geen nadere bespreking.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Door de verdediging is een strafmaatverweer gevoerd. Daartoe is – kort gezegd – door de raadsvrouw aangevoerd dat de verdediging zich kan vinden in de strafeis van de advocaat-generaal, te weten een taakstraf voor de duur van 40 uren, omdat verdachte een blanco strafblad heeft, zij recent moeder is geworden na een intensieve zwangerschap, zij haar studie aan het afronden is en nog vervolgstudies zou willen doen in de toekomst. Deze persoonlijke omstandigheden zijn niet te combineren met een gevangenisstraf. Voorts blijkt uit het procesdossier dat verdachte geen kwade bedoelingen heeft gehad, maar overweldigd is geraakt door de schrik, drukte en stress die gemoeid gingen met de situatie.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich op 10 december 2022 schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, nadat zij, als bestuurder van een personenauto, aangever [slachtoffer] had aangereden, terwijl hij op zijn scooter over de rotonde aan het Koninginneplein te Venlo reed, waar verdachte voorrang had moeten verlenen. Aangever is door de aanrijding hard ten val gekomen, waardoor er schade aan zijn scooter is ontstaan. Verdachte is uitgestapt en heeft gezien dat aangever en diens scooter waren gevallen. Terwijl aangever en zijn scooter door omstanders omhoog werden geholpen, is verdachte weggereden zonder op enigerlei wijze contact te leggen met aangever of in ieder geval haar contactgegevens aan aangever te verstrekken. Door aldus te handelen heeft verdachte zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Het hof rekent het de verdachte aan dat zij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte voorafgaand aan het bewezenverklaarde niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten en dus als ‘
first offender’ moet worden beschouwd.
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte voor zover deze ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging naar voren zijn gebracht.
Alles afwegende, met in het bijzonder in acht genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte, acht het hof – anders dan de advocaat-generaal – een geldboete ter hoogte van € 600,00, passend en geboden. Met het oog op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht het hof het tevens passend en geboden om te bepalen dat de verdachte de geldboete zal betalen in zes maandelijkse termijnen van € 100,00.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van een bedrag van € 1.500,00 aan materiële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft de gehele vordering in hoger beroep gehandhaafd.
Het hof is – met de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat enige grondslag voor toewijzing van voornoemd bedrag ontbreekt, zodat de materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Door de benadeelde is de ernst van de gestelde schade niet met stukken onderbouwd. Het hof kan daardoor niet vaststellen in welke mate het bewezenverklaarde handelen van verdachte materiële schade heeft veroorzaakt aan de zijde van de benadeelde partij. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering en kan deze slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 23, 24, 24a en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.