Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1123

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
20-002000-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens rijden onder invloed van cannabis met voorwaardelijke ontzegging rijbevoegdheid

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor het rijden onder invloed van cannabis met een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 8 maanden. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter wegens onvoldoende motivering en verklaarde het tenlastegelegde bewezen: de verdachte had op 19 oktober 2023 een voertuig bestuurd met een THC-gehalte in het bloed van 3,3 microgram per liter, hoger dan de wettelijke grenswaarde. De eerdere veroordeling van de verdachte voor een soortgelijk feit werd meegewogen.

Het hof legde een geldboete van €450 op, subsidiair 4 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Hierbij werd rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn werk in de horeca en woon-werkafstand.

De strafoplegging volgt de landelijke oriëntatiepunten voor rijden onder invloed van THC en beoogt zowel strafrechtelijke afdoening als preventie van herhaling. Het arrest werd op 15 april 2026 uitgesproken door het hof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geldboete van €450 en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002000-25
Uitspraak : 15 april 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 11 september 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-066424-24 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 maanden.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
Namens de verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 19 oktober 2023 te [pleegplaats] , een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,3 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 19 oktober 2023 te [pleegplaats] , een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,3 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Door en namens de verdachte is naar voren gebracht dat voornamelijk de door de politierechter opgelegde onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een pijnpunt is voor de verdachte, aangezien hij in Zeeland werkt en in [woonplaats] woont.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed van cannabis. Het is algemeen bekend dat het gebruik van dergelijke genotmiddelen het bewustzijn beïnvloedt en daarmee de rijvaardigheid. Hiermee heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid van hemzelf en zijn medeweggebruikers. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Blijkens deze oriëntatiepunten geldt voor het rijden onder invloed bij enkelvoudig THC gebruik in het geval van recidive als uitgangspunt een geldboete ter hoogte van € 450,00 en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 maanden.
Verder heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 januari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit komt naar voren dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor eenzelfde feit. Deze eerdere veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om te handelen zoals bewezenverklaard.
Voorts heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. De verdachte is werkzaam als bedrijfsleider in de horeca. Zijn werk is in Zeeland en hij woont zelf in [woonplaats] . Door zijn werk in de horeca heeft de verdachte vaak geen vaste eindtijd, waardoor terugreizen met het openbaar vervoer lastig is.
Alles afwegende ziet het hof – mede gelet op de geringe overschrijding van de toegestane hoeveelheid cannabis – geen aanleiding af te wijken van de bovengenoemde oriëntatiepunten voor straftoemeting en acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 450,00, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof daarnaast – en overigens eveneens overeenkomstig de oriëntatiepunten - aan de verdachte een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
Met oplegging van deze voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 450,00 (vierhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
4 (vier) dagen hechtenis;
ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
2 (twee) maanden;
bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door:
mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,
mr. G.J. Hanssen en mr. P. Jeeninga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 15 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. P. Jeeninga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.