Uitspraak
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het verzoek van JBB tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgewezen;
- de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op verzoek van de vader – uitvoerbaar bij voorraad – verlengd, met ingang van 1 november 2025 tot 1 november 2026;
- het verzoek van de vader tot wijziging van de JBB als gecertificeerde instelling afgewezen;
- de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken tot het verlenen van vervangende toestemming voor inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school en het reizen naar het buitenland met de kinderen en het verzoek om het gezag van de vader over de kinderen te beëindigen als de kinderrechter geen vervangende toestemming verleent.
- primair: de bestreden beschikking te vernietigen (zoals verzocht in het beroepschrift) en het incidenteel hoger beroep van de vader af te wijzen;
- subsidiair: als de beschikking van de rechtbank wel wordt bekrachtigd, het incidenteel hoger beroep van de vader toe te wijzen.
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .
- de vader, bijgestaan door mr. Elings;
- de moeder, bijgestaan door mr. Vos;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 september 2025;
- het V6-formulier d.d. 10 maart 2026 namens de vader met als bijlage het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 15 juni 2023;
- het e-mailbericht met bijlage van JBB d.d. 17 maart 2026.
3.De feiten in principaal en incidenteel hoger beroep
4.De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
in deze proceduregeen onderbouwing gezien van wat er in de relatie van de ouders feitelijk heeft plaatsgevonden aan onveiligheid of intieme terreur en in hoeverre dit mede betrekking heeft (gehad) op de kinderen, en of de huidige opstelling van de kinderen hier dan ook het gevolg van is. Het hof heeft geen enkel verslag van de in het verleden betrokken hulpverleners, Veilig Thuis , politie, of van andere in dit dossier betrokken instanties. Het hof heeft enkel de weergave van de tijdslijn en de aangehaalde bevindingen in het raadsrapport van september 2023. Daaruit blijkt dat meldingen en aangiftes van de moeder jegens de vader hebben plaatsgevonden in de periode 2012-2017. Nadien is van dusdanige meldingen of aangiftes jegens de vader geen sprake meer geweest. De kinderen waren erg jong toen de ouders nog in gezinsverband samenleefden en zij hebben nadien nog enkele jaren conform de bij kort geding van 16 november 2017 bepaalde zorgregeling bij de vader verbleven. De raad heeft in het raadsrapport van 2023 overwogen dat niet werd gezien dat de kinderen zelf dermate negatieve ervaringen hebben opgedaan in het contact met de vader, dat het invoelbaar en navolgbaar is dat de kinderen het contact met de vader zo rigoureus afwijzen. Daarbij merkt het hof op dat ook in de omstandigheid dat er sprake is geweest van (een vorm van) intieme terreur tussen de ouders, dit niet zonder meer betekent dat de kinderen op geen enkele wijze contact kunnen hebben met de vader. Het is belangrijk dat onderzocht wordt in hoeverre de kinderen belast zijn en/of nog steeds worden belast door de dynamiek tussen de ouders, en of er enige ruimte voor hen kan zijn om de vader een rol in het leven van de kinderen te geven. Daarbij dient naar de rol van beide ouders te worden gekeken. Ten aanzien van de vader: wat is er gebeurd in de relatie tussen de vader en de kinderen en kan de vader erkennen en verantwoordelijkheid nemen voor de impact van bepaalde gebeurtenissen op de kinderen. Voorts ook de vraag wat de kinderen nodig hebben van de vader om een en ander een plek te geven en zo mogelijk ruimte te creëren voor een rol voor de vader. Er dient ook gekeken te worden naar de rol van de moeder in het contactherstel tussen de vader en de kinderen. Het is aannemelijk dat de afwijzende houding van de moeder jegens de vader op enige wijze aan contactherstel tussen de kinderen en de vader in de weg staat. Het hof zal dit nader toelichten.
Het is voor jeugdbeschermer niet geheel helder hoe groot het aandeel van de aversie tegen vader de eigen herinneringen van [minderjarige 1] zijn en hoeveel een stuk van moeder is (al dan niet aangepraat of gevoeld door [minderjarige 1] ). Moeder geeft aan niet meer negatief over vader te praten, moeder geeft aan sowieso niet meer over vader te praten omdat hij tot het verleden behoort en zij verder willen.” [2] Voorts zoekt de moeder de publiciteit met betrekking tot het onderwerp intieme terreur middels het door haar uitgebrachte boek, lezingen en andere uitingen in de media en is zij actief als ervaringsdeskundige op dit onderwerp. In dat verband laat zij zich negatief over haar ervaringen met de vader uit. Door het actief opzoeken van de media - zeker in samenhang met het gegeven dat ook de vader een bekende Nederlander is - ondervinden de kinderen - die overigens op de hoogte zijn van de inhoud van het boek - reacties van derden op hun privé-situatie, hetgeen zeer belastend is voor hen. Op de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat de kinderen bijvoorbeeld op school lastiggevallen worden op het moment dat er media-aandacht is rondom de ouders. Voorts laat de moeder in de onderhavige procedure een onverzettelijke houding zien. Zo heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zowel verbaal als non-verbaal duidelijk gemaakt op geen enkele wijze mee te werken aan het contact tussen de kinderen en de vader. De moeder weigert rechtstreeks (direct) contact met de vader en wil niet werken aan de oudercommunicatie. Het hof acht het aannemelijk dat de kinderen worden blootgesteld aan deze zeer afwijzende houding van de moeder, hetgeen invloed zal hebben op de emotionele ruimte die zij ervaren om nieuwsgierig te zijn naar de vader. De afwijzende houding van de moeder zou aldus mede een belangrijke reden kunnen zijn voor de ouderverstoting door de kinderen. Het hof vraagt zich daarbij af of de moeder gezien haar optreden in het publieke domein over haar negatieve ervaringen met de vader, nog wel in staat of bereid is de vader enige rol te geven in het leven van de kinderen. Hoewel de moeder aangeeft dat zij tegen de kinderen uitspreekt dat zij contact met de vader mogen hebben, is het niet realistisch te verwachten dat de kinderen contact zullen willen of zich vrij genoeg voelen om contact te durven hebben, als de moeder niet intrinsiek gemotiveerd is of gewoon niet kan begrijpen dat het in het belang van de kinderen is dat hun vader de kans krijgt een positieve rol in hun leven te vervullen. Dat de partner van de moeder een vaderrol vervult, kan niet afdoen aan het grote belang voor de ontwikkeling van de kinderen om contact te kunnen en mogen hebben met hun vader. Het is dan ook belangrijk dat de kinderen kunnen ervaren dat de moeder hun oprecht emotionele toestemming kan geven voor contact met hun vader.
Van belang is dat bij beide ouders het inzicht wordt vergroot in het eigen aandeel in de verstoorde dynamiek en wat dit betekent voor de kinderen. Voor beide ouders lijkt psycho-educatie op dit punt aangewezen. Los van het ondersteunen van de kinderen, dienen de ouders aan de slag te gaan met de situatie, waarbij, zoals hiervoor aangegeven, de moeder ondersteund kan worden bij het creëren voor ruimte voor de kinderen en het geven van emotionele toestemming om de kinderen contact te laten aangaan met de vader, en de vader voor het geven van reflectie en erkenning richting de kinderen voor het verleden. In die situatie kan er voor de kinderen mogelijk ruimte ontstaan om op termijn enig contact met de vader aan te gaan. Het hof heeft er geen vertrouwen in dat de noodzakelijke hulp voor de kinderen in het vrijwillige kader van de grond zal komen.
5. De beslissing
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] , en
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , is afgewezen en de ondertoezichtstelling op verzoek van de vader is verlengd met ingang van 1 november 2025 tot 1 november 2026;