Deze zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Limburg over de hoogte en ingangsdatum van de kinderalimentatie voor zijn minderjarige kind. De man en vrouw zijn gescheiden en hebben de Poolse nationaliteit. De rechtbank had de kinderalimentatie vastgesteld met een ingangsdatum van 29 september 2022, maar de man betwistte deze datum en de draagkracht waarop de alimentatie was gebaseerd.
Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het Nederlandse recht van toepassing is. Er is sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De man stelt dat de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatie op de datum van de beschikking in eerste aanleg (14 maart 2024) of op de datum van het verzoekschrift (2 maart 2023) moet worden gesteld, en niet op 29 september 2022 zoals de rechtbank had bepaald.
Het hof oordeelt dat de ingangsdatum niet op 29 september 2022 kan worden vastgesteld omdat de man toen onvoldoende rekening kon houden met een concrete bijdrage. De ingangsdatum wordt daarom vastgesteld op 1 maart 2023, aansluitend bij het verzoekschrift. De man heeft zijn grieven over zijn draagkracht onvoldoende onderbouwd, omdat hij geen aanvullende stukken heeft overgelegd en niet is verschenen bij de mondelinge behandeling. De rechtbank heeft de draagkrachtberekening terecht vastgesteld. Het hof vernietigt het deel van de beschikking over de ingangsdatum en wijst het verzoek van de man tot wijziging af, en bekrachtigt de rest van de beschikking.