Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:83

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
200.342.719_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep op verzoek tot opheffing bewind na overlijden rechthebbende

In deze zaak verzocht de verzoekster de rechtbank om opheffing van het bewind dat over haar goederen was ingesteld. De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de verzoekster in hoger beroep ging. Tijdens de procedure overleed de verzoekster op 13 december 2024.

Het hof heeft vastgesteld dat op grond van artikel 1:449 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek het bewind door het overlijden van de rechthebbende van rechtswege eindigt. Hierdoor heeft de verzoekster geen belang meer bij haar hoger beroep. Het hof heeft daarom het hoger beroep afgewezen.

De mondelinge behandeling vond plaats op 29 november 2024, waarbij de verzoekster niet aanwezig was. De bewindvoerder was wel aanwezig en werd bijgestaan door haar advocaat. Na ontvangst van het bericht over het overlijden van de verzoekster heeft het hof de procedure voortgezet en uiteindelijk op 16 januari 2025 uitspraak gedaan.

Het hof heeft het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen omdat het bewind al was geëindigd door het overlijden, waardoor het verzoek feitelijk overbodig werd. De beschikking van de rechtbank blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat het bewind door het overlijden van de rechthebbende van rechtswege is geëindigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 16 januari 2025
Zaaknummer: 200.342.719/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10812096 BM VERZ 23-5581
in de zaak in hoger beroep van:
[verzoekster] ,
laatstelijk wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
-
[bewindvoerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de bewindvoerder,
advocaat: mr. P.A. Schippers;
-
de heer [echtgenoot],
wonende te [woonplaats] ,
echtgenoot van [verzoekster] ,
hierna: [echtgenoot] ;
-
mevrouw [dochter],
wonende te [woonplaats] ,
dochter van [verzoekster] ,
hierna: [dochter] .
In het kort
[verzoekster] is het er niet mee eens dat de rechtbank haar verzoek tot opheffing van het bewind heeft afgewezen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 27 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juni 2024, heeft [verzoekster] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog haar verzoek tot opheffing van het bewind toe te wijzen.
2.2.
Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 30 augustus 2024, heeft de bewindvoerder verzocht de grieven van [verzoekster] af te wijzen, althans deze ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 29 januari 2024.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • mr. Stassen;
  • mevrouw [bewindvoerder] (de bewindvoerder), bijgestaan door mr. Schippers.
Opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar niet verschenen zijn: [verzoekster] , [echtgenoot] en [dochter] .
Het hof heeft op de mondelinge behandeling medegedeeld uiterlijk op 16 januari 2025 schriftelijk uitspraak te doen.
2.5.
Vervolgens heeft het hof op 16 december 2024 een V-formulier ontvangen van de advocaat van de bewindvoerder met de mededeling dat [verzoekster] op 13 december 2024 is overleden. Het hof heeft de advocaat van [verzoekster] verzocht om het hof te laten weten wat dit betekent voor de procedure in hoger beroep. Bij V-formulier van 16 december 2024 en
e-mailbericht van 19 december 2024 heeft de advocaat van [verzoekster] het hof bericht dat het bewind op grond van artikel 1:449 BW Pro dient te worden beëindigd vanwege het overlijden van [verzoekster] .

3.De beoordeling

3.1.
Bij beschikking van 8 november 2013 heeft de kantonrechter over de goederen die [verzoekster] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind ingesteld. [bewindvoerder] is de bewindvoerder, in de personen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
3.2.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] tot opheffing van het bewind afgewezen.
3.3.
[verzoekster] kon zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Ze verzoekt in hoger beroep vernietiging van de bestreden beschikking en alsnog toewijzing van haar verzoek tot opheffing van het bewind. De bewindvoerder heeft een verweerschrift ingediend. Voor de (onderbouwing van de) standpunten van [verzoekster] en de bewindvoerder verwijst het hof naar de inhoud van het beroep- en verweerschrift.
Het hof overweegt als volgt.
3.4.
Op grond van artikel 1:449 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek eindigt het bewind door de dood van de rechthebbende. Deze situatie is aan de orde. [verzoekster] is op 13 december 2024 overleden. Dat betekent dat het bewind met ingang van die datum van rechtswege is geëindigd. Daaruit volgt dat [verzoekster] geen belang meer heeft bij het hoger beroep en dat haar verzoek om die reden zal worden afgewezen. Het hof zal dit vastleggen in het dictum van deze beschikking.

4.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, E.J.M. van Engelen, S.P.A. Wensink-Vergunst en is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2025 in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.