Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- [appellante] , bijgestaan door mr. van Riet;
- mevrouw [de schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener van de Gemeente [gemeente] , hierna te noemen: de schuldhulpverlener;
- mevrouw [de beschermingsbewindvoerder] van [bedrijf] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.
3.De beoordeling
- De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend steeds te goeder trouw is geweest als bedoeld in de wet. [appellante] treft geen enkel verwijt inzake het ontstaan van de schulden en dat geldt ook voor de huurschuld van één maand die recent is ontstaan. [appellante] kan wel degelijk aannemelijk maken dat zij ten aanzien van al haar schulden te goeder trouw is. Dat de meeste schulden in de afgelopen drie jaren zijn ontstaan, zegt op zich niets over de goede trouw. Het bevestigt wel de problematische schuldenpositie waarin [appellante] is komen te verkeren.
- Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt zich maximaal te zullen inspannen om naar vermogen te gaan werken. Dit doet zij namelijk wel. Dat [appellante] heeft gezegd dat zij momenteel ziek is en dat zij zichzelf nu niet in staat acht te kunnen gaan werken, maakt niet dat zij zich niet maximaal inspant.