ECLI:NL:GHSHE:2025:3789

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
20-000306-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11b OpiumwetArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zaak medeplegen voorbereidingshandelingen productie MDMA en deelname criminele organisatie

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA en deelname aan een criminele organisatie gericht op Opiumwetdelicten. De rechtbank sprak de verdachte vrij van één feit, maar verklaarde het overige bewezen. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in.

Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk voor het hoger beroep tegen de vrijspraak, omdat dit een beschermde vrijspraak betrof. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis, met verbeterde motivering, maar matigde de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. De bewezenverklaring betrof onder meer het vervoeren van voorwerpen bestemd voor een drugslab waar een draaiend MDMA-laboratorium werd aangetroffen.

De strafmaat werd vastgesteld op 15 maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Het hof achtte de ernst van het feit en de maatschappelijke gevaren van synthetische drugproductie zwaarwegend, en vond een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming passend. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn omgang met zijn dochter en zijn dak- en werkloosheid, leidden niet tot een lichtere straf. De overschrijding van bijna vijf jaar in de redelijke termijn werd in de strafmaat meegenomen.

Het arrest werd op 18 december 2025 uitgesproken door het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij de strafoplegging werd herzien en de rest van het vonnis werd bevestigd.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen voor MDMA-productie en deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000306-19
Uitspraak : 18 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, 22 januari 2019, in de strafzaak met parketnummer 01-879185-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde, het overige tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
  • medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten (
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 10, vierde lid, en 10a, eerste lid, van de Opiumwet (
de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte afgewezen.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest.
Door de verdediging is primair integrale vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 4 februari 2019 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 1 is tenlastegelegd. Het hof is van oordeel dat deze vrijspraak een beschermde vrijspraak betreft.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – met het beroepen vonnis, met verbetering van de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de opgelegde straf.
Verbetering bewijsoverwegingen
Het hof stelt voorop dat het zich verenigt met de bewijsoverwegingen van de rechtbank op pagina’s 5 tot en met 11 van het vonnis waarin de verweren van de verdediging die ook in hoger beroep zijn gevoerd zijn besproken en verworpen. Wel brengt het hof daarin de navolgende verbeteringen aan.
I.
Op pagina 6 van het vonnis, in de tweede alinea onder het kopje ‘Medeplegen’, wijzigt het hof de passage:

De medeverdachten, en dan met name [medeverdachte 1] , hadden veelvuldig (telefonisch) contact met verdachte waarbij - onder meer - werd besproken dat er “zout” geregeld moest worden en verdachte, direct na het verlaten van de loods, aan [medeverdachte 1] meldde dat ze klaar waren.
in:

De medeverdachten, en dan met name [medeverdachte 1] , hadden veelvuldig (telefonisch) contact met de verdachte. Met het telefoonnummer dat in gebruik was bij de verdachte werd - onder meer - besproken dat er “zout” geregeld moest worden. Daarnaast heeft de verdachte, direct na het verlaten van de loods, aan [medeverdachte 1] gemeld dat ze klaar waren.
II.
Op pagina 10 van het vonnis, de eerste alinea, schrapt het hof in de regels 6 en 7 de zin:
“Verdachte komt ook in beeld over de tap als hij, samen met [medeverdachte 2] , met [medeverdachte 1] belt over het ontbreken van zout.”
Het hof neemt de bewijsoverwegingen van de rechtbank voor het overige over en maakt die tot de zijne.
Op te leggen sanctie
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof verzocht om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf. Daartoe heeft de raadsvrouw aan het hof verzocht om bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de forse overschrijding van de redelijke termijn in zijn strafzaak.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij gedurende een periode van ongeveer twee en een halve maand heeft deelgenomen aan een criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwetdelicten. In dat kader heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van MDMA, door onder andere voorwerpen te vervoeren naar een loods in Eindhoven die bestemd waren voor een drugslab, waaronder vriezers en gasflessen. Op 31 januari 2017 werd in die loods door de politie een draaiend laboratorium voor de productie van MDMA aangetroffen. Met zijn gedragingen heeft de verdachte bijgedragen aan de voorbereidingen van deze productielocatie en was hij een essentiële schakel in het geheel. Hierdoor heeft hij ook bijgedragen aan de instandhouding van het illegale drugscircuit. De uiteindelijke productie van synthetische drugs brengen ernstige gevaren met zich mee. Zo bestaat er gevaar voor brand, ontploffing en het vrijkomen van giftige stoffen. Bovendien is algemeen bekend dat de productie en handel van drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit, milieuschade en nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade voor drugsgebruikers. Dit rekent het hof verdachte zwaar aan. Het hof merkt op dat het voorgaande ook de reden is dat er op deelname aan een criminele organisatie en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van harddrugs hoge straffen staan.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Uit voornoemd uittreksel blijkt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht meermaals van toepassing is.
Tevens heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij een omgangsregeling heeft getroffen met zijn 4-jarige dochtertje en dat hij haar wekelijks ziet. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat hij dak- en werkloos is en dat hij momenteel niet actief op zoek is naar een woning of een nieuwe baan, omdat hij bang is om alles te verliezen als aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Naar het oordeel van het hof kan, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof ziet geen reden om te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die de verdachte in de zaak in voorarrest heeft doorgebracht (te weten 107 dagen), in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, zoals door de verdediging is bepleit. Een dergelijke strafoplegging doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Uit het oogpunt van de strafdoelen afschrikking en vergelding acht het hof een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest, in beginsel passend en geboden. Hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
Redelijke termijn
Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof nog het volgende.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een afdoening van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Namens de verdachte is op 4 februari 2019 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op
18 december 2025 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met bijna 4 jaren en ruim 10 maanden overschreden. Niet is gebleken dat deze overschrijding aan de verdediging is te wijten.
Zoals hiervoor is overwogen zou zonder overschrijding van de redelijke termijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden zijn geweest. Het hof zal de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht:
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Harskamp, griffier,
en op 18 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.