De verdachte werd door de politierechter veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar wegens belaging, met bijzondere voorwaarden waaronder een contact- en locatieverbod.
Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in. Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van dit hoger beroep, waarbij de advocaat-generaal vorderde het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren omdat verdachte en officier van justitie bij de politierechter ter terechtzitting afstand hadden gedaan van het recht op hoger beroep.
Het hof oordeelde dat uit het proces-verbaal ondubbelzinnig blijkt dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn hogerberoepsrecht, en dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld die deze afstand zouden kunnen weerleggen. De ontkenning van verdachte werd verworpen.
Daarom verklaarde het hof de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep en handhaafde het vonnis van de politierechter.