ECLI:NL:GHSHE:2025:3692

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
20-000909-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 157 SrArt. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep brandstichting met gemeen gevaar voor goederen in woonwijk

Op 1 januari 2025 ontstond brand aan twee voertuigen in een woonwijk te Breda, waaronder een auto op naam van de verdachte. Camerabeelden van een buurtbewoner toonden een man met specifieke kleding die brand stichtte met flessen gevuld met een brandbare vloeistof. De verdachte werd kort na de brand staande gehouden nabij de plaats delict, droeg kleding die sterk overeenkwam met die van de dader op de beelden en rook sterk naar benzine.

De verdediging voerde vrijspraak aan, stellende dat de beelden onduidelijk waren en dat de verdachte niet de persoon op de beelden was. Het hof oordeelde echter dat de combinatie van camerabeelden, kledingovereenkomsten, locatie en tijdstip van de aanhouding en de geur van benzine voldoende bewijs vormden om de verdachte als dader aan te merken.

De brand veroorzaakte gemeen gevaar voor goederen en schade aan een schuur. Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden en de persoonlijke situatie van de verdachte, legde het hof een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter voor wat betreft de straf en deed in zoverre opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, wegens opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000909-25
Uitspraak : 22 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-001511-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte ter zake van ‘opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de opgelegde straf, en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust behalve voor wat betreft de opgelegde straf. In dat verband zal het hof ook de toepasselijke wettelijke artikelen opnieuw opnemen.
Het hof zal hierna de door de politierechter aangehaalde bewijsmiddelen verbeteren en aanvullen alsmede de bewijsmotivering van de politierechter als vermeld onder 4. in het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van de politierechter op 27 maart 2025 waarin het mondeling vonnis is aangetekend, geheel vervangen door na te melden bewijsoverweging.
Aanvulling bewijsmiddelen
De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, aanvulling. In aanvulling op de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen (voor de volledigheid en leesbaarheid ook hieronder cursief weergegeven) komt de bewezenverklaring mede te berusten op de bewijsmiddelen zoals hierna weergegeven:
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , d.d. 1 januari 2025, p. 7-10, voor zover inhoudende als relaas van deze verbalisant:
(pagina 7)
Op woensdag 1 januari 2025 omstreeks 09.00 uur was ik met incidentenafhandeling
belast. Ik had dienst samen met collega [verbalisant 2] . Wij waren beiden in uniform gekleed
en reden met een opvallende politieauto. Wij kregen de opdracht om naar [adres 2] te gaan. Daar was de brandweer ter plaatse bij een autobrand. Wij zijn direct ter plaatse gegaan.
Op 1 januari 2025 omstreeks 09.15 uurkwamen we
ter plaatse aan op [adres 2] . Ik zag dat in de parkeervakken tegenover het perceel [adres 2] een
tweetal auto's geparkeerd stonden. Beide auto's hadden aan de voorzijde in brand
gestaan. De auto's welke in brand hadden gestaan betroffen:
[kenteken 1] , Volkswagen Golf kleur zwart, op naam van [verdachte] , geboren op
[geboortedag] 1998, wonende te [adres 3] , en [kenteken 2] , blauwe
Volkswagen Transporter, kleur blauw, op naam van [bedrijf] , gevestigd op
[adres 4] .
Ter plaatse werd ik aangesproken door [getuige 1] , bewoner van [adres 5] . Hij vertelde mij dat hij door de brand schade had aan het boeiboord van zijn schuur. Hij vertelde mij dat hij bewakingsbeelden had van twee verschillende camera’s. De ene camera was bevestigd aan de voorzijde van zijn woning en de andere aan de achtergevel van zijn woning. Hij toonde mij en collega [verbalisant 2] beelden van deze camera’s op zijn telefoon. Hierop was te zien dat omstreeks 08.43 uur een man nabij de betrokken auto’s te zien was. Deze man is ook aan de voorzijde van zijn woning opgenomen. Ik zag dat op de beelden van de achtergevel een man te zien was op of omstreeks het moment dat er kennelijk brand was uitgebroken.
(pagina 8)
Op 1 januari 2025 omstreeks 11.00 uur kreeg ik per mail videobestanden toegestuurd van bewoner [getuige 1] . Dit betroffen beelden van de voorzijde van zijn woning. Deze videobestanden zijn opgeslagen op de daarvoor bestemde share van de politie. Omstreeks 12.01 uur heeft [getuige 1] nog een videobestand gemaild. Ook deze beelden zijn opgeslagen op de daarvoor bestemde share van de politie.
De uitgebrande auto's zijn getakeld.
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , d.d. 2 januari 2025, p. 15-17, voor zover inhoudende als relaas van deze verbalisant:
(pagina 15)
Op 1 januari 2025 omstreeks 09.00 uur was ik samen met collega [verbalisant 1] belast met incidenten afhandeling. Wij werden door de politie meldkamer gestuurd naar [adres 2] . Aldaar zou een uitgebrande personenauto staan, zijnde een zwarte Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 1] . Vlak voordat ik verbalisant voornoemde melding werd gestuurd, hoorde ik dat de collega's [verbalisant 3] en [verbalisant 4] een manspersoon in een witte Caddy hadden staande gehouden in Breda Noord. De collega's waren met deze man naar het bureau gegaan voor nader onderzoek artikel 8 Wegenverkeerwet Pro.
Ter plaatse zag ik tegenover [adres 6] in een parkeervak genoemde Volkswagen Golf staan. Rechts naast deze auto stond een blauwe Volkswagen Transporter, voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Ik zag dat beide auto's aan de voorzijde waren uitgebrand, derhalve niet meer rolbaar aan de voorzijde. Wij werden ter plaatse aangesproken door een buurbewoner, bewoner van [adres 5] . Deze vertelde dat hij camerabeelden had van een verdachte situatie. Hij had gezien dat een manspersoon op en neer liep aan de voorzijde van zijn woning. Op de beelden aan de achterzijde is te zien dat persoon loopt ter hoogte van voormelde voertuigen. Op beelden zag ik dat er rook omhoog kwam op het moment dat deze persoon de auto's passeerde. Door verbalisant is een foto
(still) gemaakt van de persoon welke mij op de camerabeelden werd getoond. De foto is vervolgens door mij gedeeld met collega [verbalisant 3] . Collega voornoemd verklaarde hij duidelijk zag dat de man op het bureau dezelfde donkerkleurige Nike trainingbroek aan had, zoals op de foto te zien was. Tevens verklaarde collega [verbalisant 3] mij dat de man riekte naar benzine. De tweede auto (blauwe VW Transporter) is mogelijk in brand gegaan door de andere auto welke er naast stond (overgeslagen vuur). Na bevraging in de politie systemen bleek dat de tenaamgestelde van de VW Golf, [verdachte] te zijn.
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , d.d. 2 januari 2025, p. 23-27, voor zover inhoudende als relaas van deze verbalisant:
(pagina 23)
In verband met een brandstichting op 1 januari 2025 onderzocht ik de veiliggestelde
camerabeelden.
Video.mov (opmerking politierechter: Video-converted in procesdossier):
Ik zag dat de beelden helder en van goede kwaliteit waren. Ik zag dat de beelden zwart wit waren. Ik zag dat de lantaarnpalen in beeld brandden. In de registratie zag ik dat de brandstichting omstreeks 09.00 uur plaatsvond. Middels een kort onderzoek middels het internet zag ik dat de zonsopgang om 08:48 was op 1 januari 2025. Gezien het bovenstaande concludeerde ik dat het schemerig was.
Op de beelden zag ik een voortuin van een woning met daarvoor een trottoir en een
weg. Ik zag dat het een woonwijk was. Ik herkende de locatie ambtshalve als zijnde de kruising van de [locatie 2] en de [locatie 3] te Breda .
Ik zag dat de weg voor de woning de [locatie 2] betrof en dat deze naar rechts
in beeld liep en daar kruiste met de [locatie 3] . Ik zag dat camera zicht had op
het grootste deel van de kruising. Ik zag na 3 seconden vanaf links, over het trottoir,
een persoon aan komen lopen. Ik kan de persoon als volgt omschrijven: gezien zijn
bouw vermoedelijk een man, normaal postuur. Muts op zijn hoofd met een kleine
klep aan of onder de muts uit. Jas/jack, kort model tot boven de heup, camouflage
patroon met lichte en donkere kleuren, met de kraag recht omhoog gezet om het
gezicht te verbergen. Sjaal om de kraag heen, hoog om de hals en gezicht gewikkeld.
(pagina 24)
Donkerkleurige trainings-/joggingbroek met wijde pijpen en elastiek onderaan de pijpen en handschoenen aan. Sneakers, licht van kleur, mogelijk grijs, met donker accent of logo op de zijkant.Een rand van een kledingstuk welke onder de jas uitstak aan de achterzijde.
In beide handen zag ik de man een fles vasthouden. Ik zag dat beide flessen doorzichtig waren. Ik zag dat ze gevuld waren met een helder, bijna doorzichtige, vloeistof.Ik zag dat de man met flessen in zijn hand over het trottoir liep en rechtsaf sloeg, de [locatie 3] op.
Video__1.mov (opmerking politierechter:Video_1-converted in procesdossier):
Ik zag dat de beelden helder en van goede kwaliteit waren. Ik zag dat de beelden
zwart wit waren.
Ik zag links onderin het beeld een datum en tijdsaanduiding, te weten; 08:42:19 uur op 01/01/2025.Ik zag in beeld een achtertuin van een woning. Ik zag dat de tuin aan de linkerzijde was gescheiden van de openbare weg middels een stenen muur. Ik zag achter de muur achterin beeld een deel van een rij woningen. Ik zag dat voor deze twee woningen auto’s geparkeerd stonden. Ik zag dat achterin de tuin van de woning een schuur stond. Ik zag dat links van de schuur, op de openbare weg, een bus geparkeerd stond. Ik zag dat de bus met de voorzijde naar de schuur stond.
Ik zag na 3 seconden dat er links naast de schuur, op de openbare weg, iets bewoog.
Ik zag dat hetgeen er bewoog net boven de muur uitkwam.
Ik zag dat hetgeen zich bewoog net voorbij de geparkeerde bus stond, gezien vanuit de woning/camera.
Na 25 seconden zag ik een lichtbron ontstaan aan de zijkant van de schuur. Een seconde later zag ik een heldere lichtflits boven de muur uitkomen. Direct daarna zag ik helder witte lichtbronnen welke ik herkende als vlammen. Ik zag dat deze vlammen omhoog sloegen. Op datzelfde moment zag ik achter de zijkant van de schuur uit een persoon in beeld lopen. Ik zag dat dit ook de plek was waar de vlammen vandaan kwamen. Ik zag dat hij een licht gekleurde jas aan leek te hebben en dat hij een capuchon over zijn hoofd had geslagen waarvan hij de randen vasthield. Ik zag dat het vuur door bleef branden. Ik zag vlammen en
rook.
Ik zag dat de persoon doorliep en achter de geparkeerde bus langs over de [locatie 3] liep. In de richting van de [locatie 2] .
(pagina 25)
Ik zag dat deze persoon met een hand zijn capuchon over zijn hoofd getrokken hield en met snelle passen wegliep. Ik zag dat het vuur door bleef branden.
Video__2.mov (opmerking politierechter:Video_2-converted in procesdossier):
Ik zag dat het beeld hetzelfde was als die van Video.mov.
Ik zag hetzelfde beeld van de [locatie 2] en de [locatie 3] . Ik zag in beeld wederom de datum aanduiding op 01/01/2025 staan. Ik zag dat er over het trottoir vanaf de hoek met de [locatie 3] een persoon aangelopen kwam. Ik herkende hem als de hiervoor reeds omschreven persoon. Ik zag dat deze persoon terwijl hij de [locatie 2] op liep om keek, de [locatie 3] in. In de richting waarvan ik ambtshalve weet dat zojuist de brand was gesticht. Ik zag dat deze persoon na enkele passen stopte en om bleef kijken. Ik zag dat hij een stap terug nam en achterover leunde. Hij keek hierbij nog steeds de
[locatie 3] in, net om de hoek van de woning. Ik zag dat hij in zijn rechter hand iets hield wat op een handschoen leek. Ik zag dat zijn linker hand, waarmee hij zijn kraag dicht en omhoog hield en zijn capuchon vast had geen handschoen meer aan had. Ik zag dat hij vervolgens over het trottoir de [locatie 2] in liep en links uit beeld verdween. Ik zag na 1:05 minuut dezelfde man terug gelopen kwam over het trottoir in de richting van de [locatie 3] . Ik zag dat hij nogmaals voorbij de hoek van de woning keek. Ik zag dat hij na een korte blik weer omdraaide.
In de registratie van het onderzoek zag ik dat er bij de verdachte kledingstukken in beslag waren genomen. Ik zag ook dat er foto’s waren genomen van de kleding van de verdachte. Ik bekeek deze foto’s en vergeleek deze met de persoon op de camerabeelden.
Ik zag dat de inbeslaggenomen broek qua kleur en vorm overeen kwam met de
broek van de persoon op de beelden. Ik zag dat de inbeslaggenomen broek een wit
Nike logo had op de linker broekspijp ter hoogte van het bovenbeen. Ik zag dat de
persoon op de beelden op exact dezelfde plek een wit logo had staan. Ik zag dat dit
logo in vorm en grootte gelijk was aan het Nike logo. Ik vergeleek de inbeslaggenomen jas met die op de beelden. Ik zag dat de jas van de persoon op de beelden een zoom van enkele centimeters had met een elastiek erin. Ik zag dat de inbeslaggenomen jas eenzelfde zoom had. Zo ook aan de uiteinde van de mouwen. Ook zag ik dat de openingen van de zakken gelijk in grootte waren en op dezelfde plek zaten als de jas van de persoon op de camerabeelden. Daarnaast zag ik dat het camouflagepatroon van de jas overeen kwam met de jas van de persoon op de beelden. Ik bekeek de foto van de in beslag genomen schoenen. Ik zag dat de persoon op de beelden sneakers droeg. Ik zag dat deze licht van kleur waren, net als de inbeslaggenomen schoenen.
(pagina 26)
Ik zag ook dat er een zwart regenjack in beslag was genomen. Ik zag op de beelden dat de persoon op de beelden onder zijn camouflage
jas een donker kleurig jack droeg met een witte streep/rits in het midden. Ik zag dat
het inbeslaggenomen jack ook donker van kleur was en een witte rand had bij de
rits. Ik zag ook dat het jack een capuchon had die ook donker van kleur was. Ik zag
dat de persoon op de beelden ook een donkerkleurige capuchon op had. Ik zag dat er
bij de verdachte een gele Chocomel muts in beslag was genomen met een bolletje
op de bovenzijde. Ik bekeek de bewegende beelden meerdere malen en ik zag dat de
persoon op de beelden een muts op had. Ik zag ook dat er iets op de bovenkant van
de muts zat en dat dit op een bol leek. De muts leek dus overeen te komen met de
muts die in beslag was genomen. Verder zag ik dat er een zwarte sjaal inbeslaggenomen was. Hierop zocht ik de inbeslagnamezak met de sjaal op en opende deze.
Ik rook direct een erg sterke lucht welke ik direct herkende als de geur van wasbenzine. Ik zag dat de sjaal zwart was met zwarte flosjes aan de uiteinden. Ik zag op de beelden dat de persoon op de beelden ook een zwarte sjaal om had en hiermee zijn gezicht en hoofd omwikkelde dan wel afschermde. Ik zag dat deze sjaal ook flosjes aan de uiteinde had.
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 3] , d.d. 1 januari 2025, p. 11-14, voor zover inhoudende als relaas van deze verbalisant:
(pagina 11)
Op
woensdag 1 januari 2025omstreeks 08.52 uur was ik samen met politieambtenaar [verbalisant 4] belast met surveillance en derhalve waren wij in politie-uniform gekleed en rijdend in een als zodanig herkenbaar surveillancevoertuig. Wij zagen ons een witte Volkswagen Caddy vanuit de richting Groenendijkplein (het hof begrijpt: in Breda) tegemoet komen rijden. Wij besloten de Volkswagen Caddy een stopteken te geven. Tussen het moment dat wij het stopteken gaven en het voertuig daadwerkelijk stopte op de [locatie 1] , kregen wij van de politiemeldkamer te Bergen op Zoom een melding van een autobrand op de [locatie 3] te Breda . Ik parkeerde het dienstvoertuig achter de Volkswagen Caddy en ben uitgestapt. Bij het uitstappen rook ik direct een zeer sterke geur van benzine afkomstig van deze Volkswagen Caddy. Ondertussen hebben wij de politiemeldkamer gevraagd een andere politie-eenheid naar de autobrand in de [locatie 3] te sturen. Ik heb de bestuurder aangesproken. Ik zag dat naast de bestuurder, verder verdachte [verdachte] genoemd, een vrouw zat. Een blaasproef gaf aan dat de verdachte vermoedelijk onder invloed was van alcohol. Hierop is tegen [verdachte] (het hof begrijpt hier en hierna [verdachte] ) gezegd dat hij voor onderzoek mee diende te gaan naar het politiebureau. De vrouw die naast [verdachte] zat, bleek te zijn genaamd [getuige 2] .
Terwijl ik bij de verdachte stond rook ik dat de verdachte sterk naar de geur van benzine rook.Bij [getuige 2] rook ik geen geur van benzine.
(pagina 12)
Na aankomst op het bureau
zag ik dat [verdachte] gekleed was in de
volgende kleding.
- Gele "Chocomel" muts met bruine ponpon;
- grijs nylon jack met grijs camouflagemotief;
- daaronder een zwart trainingsjack met witte rits en op linker borst wit Nike-logo;
- daaronder een wit t-shirt met opdruk op voorzijde;
- zwarte trainingsbroek met linker voorzijde ene wit Nike-logo;
- zwarte kousen;
- grijze sportschoenen.
Later troffen wij op de achterbank van het dienstvoertuig een zwarte sjaal, welke
sterk naar benzine rook aan.
(pagina 13)
Verdachte : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedag] 1998
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
-
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 6] , d.d. 1 januari 2025, p. 18-20, voor zover inhoudende als relaas van deze verbalisant:
(pagina 18)
Op
woensdag 1 januari 2025was ik met politieambtenaar [verbalisant 7] belast met de incidentenafhandeling in politieteamgebied Markdal in Breda. Wij zijn in gesprek gegaan met de vriendin van de verdachte [verdachte] .
De collega's hadden ons medegedeeld dat de verdachte [verdachte] erg naar benzine rook. Ik ben toen de ruimte ingelopen waar de verhoorkamers zijn. Ik rook direct toen ik de deur open deed een sterke benzine lucht, naarmate ik dichter bij de verhoorkamer kwam waar verdachte [verdachte] zat werd de lucht alleen maar intenser.
Omstreeks 09:35 uur zagen we de vriendin [getuige 2] bij het toegangshek van de
Politie. Op de vraag waarom [verdachte] zo naar benzine rook, kon ze geen antwoord op geven. Zij rook namelijk niet naar benzine. Ik vroeg of ze de hele tijd samen waren geweest. Ik hoorde haar hierop zeggen dat [verdachte] ook even alleen was weggegaan.
-
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 8 december 2025, voor zover inhoudende:
Ik heb mij sinds de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 niet omgekleed. Ik droeg op het moment van mijn aanhouding dezelfde kleding als tijdens de jaarwisseling.
Bewijsoverweging
Namens de verdediging is vrijspraak bepleit. Hiertoe is – in de kern – aangevoerd dat de beelden in deze zaak niet duidelijk zijn en dat de persoon op de beelden een pet droeg terwijl de verdachte een Chocomel muts droeg. Ook ontbreekt een vaststelling van de oorzaak van de brand door de politie of de brandweer in het dossier. Daarnaast zou de verdachte tijdens zijn aanhouding volgens de politie ontzettend dronken zijn, terwijl de persoon op de beelden niet dronken lijkt te zijn.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de door hiervoor weergegeven bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd. Het hof overweegt dienaangaande voorts als volgt.
Nieuwjaarsochtend 1 januari 2025 kwam rond 9.00 uur bij de politiemeldkamer een melding binnen van een autobrand op de [locatie 3] in Breda . Dit betreft een woonwijk. De politie is meteen ter plaatse gegaan en constateerde dat twee voertuigen aan de voorzijde in brand hadden gestaan. Een van deze auto’s, zo bleek achteraf, stond op naam van de verdachte. De politie werd ter plaatse door een buurtbewoner aangesproken. Deze buurtbewoner gaf meteen aan dat hij schade had van de brand aan zijn schuur, maar ook dat hij camerabeelden had vanaf de voorzijde van zijn woning en vanaf de achtergevel. Het hof stelt bij raadpleging van de openbaar toegankelijk bron ‘Google maps’ vast dat de woning van deze buurtbewoner een zogenoemde rijtjeswoning tevens hoekwoning betreft, die met de voorgevel is gelegen aan de [locatie 2] en met de zijgevel aan de [locatie 3] . Het hof stelt vast dat de camerabeelden vanaf de voorgevel van deze bewoner aldus zien op het gebeurde op de [locatie 2] en de beelden vanaf de achtergevel zien op het gebeurde achter de woning, waartoe ook behoort (een deel van) de [locatie 3] . Nadat de politie ter plaatse kort naar camerabeelden heeft gekeken, heeft de buurtbewoner later die dag al het beschikbare beeldmateriaal aan de politie ter beschikking gesteld.
Verbalisant [verbalisant 5] heeft de door de buurtbewoner verstrekte camerabeelden van de bewuste nieuwjaarsochtend bekeken en beschreven wat hij daarop waarnam. Op de beelden neemt hij een persoon waar die over de [locatie 2] richting de [locatie 3] in Breda loopt. Deze persoon is vermoedelijk een man en draagt een camouflage jack tot boven de heup waarvan de kraag recht omhoog is gezet, een sjaal om de kraag heen, een donkerkleurige trainingsbroek en lichtgekleurde sneakers. Daarnaast valt het de verbalisant op dat deze man in beide handen een fles met een heldere, bijna doorzichtige vloeistof draagt. Op beelden van een andere camera neemt de verbalisant waar dat er een lichtflits boven een muur uitkomt, waarna er vlammen ontstaan. Op het moment dat de vlammen omhoog slaan, is een persoon in beeld te zien op de plek waar de vlammen vandaan komen. Deze persoon draagt een licht gekleurde jas met een capuchon over zijn hoofd. Daarna neemt de verbalisant weer op beelden van de eerstgenoemde camera waar dat dezelfde persoon die hij eerder naar rechts voorbij de woning zag lopen, terug komt lopen over het trottoir (maar nu aldus in tegengestelde richting) vanaf de hoek met de [locatie 3] . Deze persoon, zo concludeert het hof, had kennelijk kennis van de brand (genomen) gelet op zijn gedrag, bestaande uit het om blijven kijken, om de hoek van de woning, de [locatie 3] in. Verder valt op dat de persoon die bij de plaats delict werd gezien zijn capuchon vasthield, net als de persoon die vervolgens terug kwam lopen. Verbalisant [verbalisant 5] heeft niet gerelateerd dat hij op de beschikbare camerabeelden enige andere persoon ter plaatse, voorafgaande dan wel tijdens dan wel volgend op de brand heeft waargenomen, dan de door hem omschreven manspersoon. Het hof heeft ook kennisgenomen van de camerabeelden en heeft evenmin andere waarnemingen gedaan dan gerelateerd door de verbalisant.
Gelet op het feit dat op de verschillende camerabeelden telkens maar één persoon, te weten de door verbalisant [verbalisant 5] omschreven man te zien is, deze man op alle camerabeelden een gelijksoortige jas met capuchon lijkt te dragen en verbalisant [verbalisant 5] deze persoon zowel naar als van de plaats delict heeft zien lopen en deze persoon ook op de plaats delict plaatst op hetzelfde moment dat de vlammen omhoog sloegen, gaat het hof er vanuit dat op de beelden van beide camera’s, die aan de voor- en achterzijde van de hoekwoning aan [locatie 2] - [locatie 3] bevestigd waren, dezelfde man te zien is. Deze man liep eerst met twee flessen met een heldere, bijna doorzichtige vloeistof in zijn handen richting de geparkeerde voertuigen’ die geparkeerd stonden ter hoogte van de schuur van de bewoner wiens camerabeelden zijn beschreven. Vervolgens is bij die schuur en de bus beweging waargenomen, brand ontstaan, daarbij een persoon gezien, die tijdens de brand wegliep richting de [locatie 2] . De eerstvolgende persoon die dan weer in beeld komt aan de voorzijde van de woning waaraan de camera is bevestigd, is diezelfde hiervoor omschreven man, maar nu zonder flessen. Hij liep dezelfde richting weer terug als waar hij aanvankelijk vandaan kwam, nadat de brand bij de voertuigen was ontstaan. Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat deze man de brand heeft aangestoken. Immers, zoals gezegd, een ander dan deze man is niet waargenomen op de camerabeelden in de buurt van de geparkeerde voertuigen ten tijde van het ontstaan en uitbreken van de brand. Op grond hiervan acht het hof voldoende komen vast te staan dat de man die te zien is op de camerabeelden een voertuig in brand heeft gestoken met behulp van open vuur en de inhoud van de flessen die hij bij zich droeg. Op de camerabeelden is mitsdien de dader te zien die de brand heeft gesticht. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het daarbij onmiskenbaar ging om brandstichting aan een voertuig, waarna de brand is overgeslagen naar een naastgelegen voertuig, zo leidt het hof af uit de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] ter plaatse. Dat een vaststelling omtrent de oorzaak van de brand op basis van nader onderzoek door de politie of de brandweer in het dossier ontbreekt, zoals volgens de raadsman in zaken als deze te doen gebruikelijk, doet naar het oordeel van het hof in deze zaak niets af aan de op basis van de voorhanden bewijsmiddelen te maken gevolgtrekkingen in relatie tot de bewezenverklaring.
De vraag die vervolgens voorligt is of de verdachte de dader is van deze brandstichting. De verdachte heeft immers van meet af aan ontkend dat hij die man was op de camerabeelden en heeft zich bovendien op het standpunt gesteld dat hij geen enkele reden of belang erbij zou hebben gehad om zijn eigen auto in brand te steken. Het hof beantwoordt die vraag evenwel bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Hoewel op basis van de camerabeelden geen gezichtsherkenning mogelijk is gebleken van de dader die op 1 januari 2025 de brand heeft gesticht, bieden de camerabeelden anderszins concrete aanknopingspunten die duidelijk wijzen in de richting van de verdachte. De verdachte kwam namelijk diezelfde ochtend in Breda in beeld bij de politie om een andere reden. Hij werd staande gehouden bij een verkeerscontrole terwijl hij in een ander voertuig op zijn naam reed en werd vervolgens meegenomen naar het politiebureau. Op enig moment die nieuwjaarsdag en nadien kwamen een aantal bevindingen samen in het onderhavige onderzoek naar de brandstichting, waaronder enerzijds de camerabeelden en anderzijds de kleding die de verdachte ten tijde van zijn staandehouding droeg. Zo stelt het hof vast dat de kleding die de verdachte droeg die ochtend van de brand, past in het signalement van de dader als te zien op de beelden. Zo zit er gelijkenis in de donkere trainingsbroek met een wit Nike logo op de linker broekspijp ter hoogte van het bovenbeen, het camouflagepatroon op de jas, het donkerkleurig jack – onder de jas met camouflagepatroon – met een witte rits in het midden en met capuchon en de lichte sneakers. Bij nadere vergelijking van de kleding die de verdachte die ochtend droeg en de kleding van de dader op de camerabeelden springen nog meer details als waargenomen en gerelateerd door verbalisant [verbalisant 5] in het oog, waaronder bijvoorbeeld de zoom van de jas met elastiek en de sjaal met flosjes aan de uiteinden. De verdachte is dus die ochtend in Breda aangetroffen en droeg toen kleding die in een aantal details sterk gelijkt op de kleding van de dader op de camerabeelden. Het signalement van de verdachte en de kleding die hij droeg die nieuwjaarsochtend komt daarmee op veel specifieke punten overeen met het signalement van de dader die diezelfde ochtend is waargenomen op de camerabeelden op en nabij de plaats delict. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij zich die ochtend niet heeft omgekleed en heeft het hof erop gewezen dat de persoon op de camerabeelden, anders dan de verdachte die ochtend, een pet droeg en bovendien een donkere huidskleur had. De verklaring van de verdachte dat hij de persoon op de camerabeelden niet is omdat diegene een pet zou dragen en een donkere huidskleur zou hebben, terwijl de verdachte geen pet droeg en geen donkere huidskleur heeft, doet er niets aan af dat de kleding die verdachte droeg zoals vermeld in de bewijsmiddelen tot in detail gelijkenissen vertoont met die van de dader. Het hof heeft bovendien zelf de huidskleur van de persoon op de beschikbare zwart-wit camerabeelden niet kunnen waarnemen, terwijl hierover evenmin door verbalisant [verbalisant 5] iets is beschreven. Het hof ziet op grond van al het voorgaande dan ook genoeg concrete overeenkomsten om aan te nemen dat de verdachte de dader op de camerabeelden is. Dat de verdachte ontzettend dronken zou zijn geweest en de persoon op de beelden dat niet lijkt te zijn, zoals door de raadsman gesteld, wat daarvan ook zij, maakt dit niet anders.
Er is evenwel meer dat de aanname bevestigt dat het de verdachte is die op de beelden te zien is. Zo staat vast dat de verdachte, kort na het ontstaan van de brand, bij een verkeerscontrole werd staandegehouden als bestuurder van een Caddy. Dat dit kort na het ontstaan van de brand was, blijkt uit de omstandigheid dat de politieagenten die hem staande hielden nagenoeg tegelijkertijd de melding van de autobrand binnenkregen. Die brand was toen aldus al gesticht. Daarbij komt dat die staandehouding op zo’n vier tot vijf minuten rijden van de brandende voertuigen plaatsvond. Immers, bij raadpleging van de openbare bron ‘Google maps’ is het hof gebleken dat de afstand tussen de woning waaraan de camera’s waren bevestigd en waar de dader na de brand voorbij liep ( [adres 5] ) en de plaats van de verkeerscontrole ( [locatie 1] ) slechts 2 kilometer bedraagt en deze afstand met een motorvoertuig binnen vier tot vijf minuten -afhankelijk van de gekozen route- kan worden overbrugd. Dit betekent dat de verdachte ook op basis hiervan die ochtend als dader kan worden geplaatst op de plaats delict van de brandstichting. Echter, bovenop dit alles wijzen ook nog de volgende omstandigheden in de richting van de verdachte. Vanaf het eerste contact met de verdachte die ochtend, feitelijk hooguit een paar minuten na de brand, viel verbalisant [verbalisant 3] een zeer sterke geur van benzine op. Terwijl hij naast de verdachte stond, rook de verdachte op dat moment sterk naar de geur van benzine. Het is een feit van algemene bekendheid dat benzine kan worden gebruikt om een vuur aan te steken. De verdachte verklaarde dat hij naar benzine rook omdat hij tijdens de jaarwisseling dicht bij een vredesvuur had gestaan, maar het hof acht deze verklaring ongeloofwaardig. Immers, de verdachte heeft ook verklaard dat zijn vriendin bij ditzelfde vuur aanwezig was maar, volgens een van de verbalisanten rook zij die ochtend niet naar benzine. Daarnaast acht het hof het in deze zaak in relatie tot de conclusie dat de verdachte op de beelden te zien is relevant dat het de auto van de verdachte is geweest die (mede) vlam heeft gevat. Voornoemde factoren dragen stuk voor stuk bij aan het bewijs dat de verdachte de dader was en versterken de overtuiging van het hof dat het de verdachte is geweest die de brand heeft gesticht. Dat de verdachte geen reden of belang erbij zou hebben (gehad) om zijn eigen auto in brand te steken, waaruit het hof begrijpt dat hij evenmin reden zou hebben gehad om het zich daarnaast bevindende voertuig vlam te laten vatten, wat daar verder ook van zij, leidt het hof niet tot enige andere conclusie.
Integendeel, op grond van alle gebezigde bewijsmiddelen en de voornoemde combinatie van factoren kan naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de brand heeft gesticht.
Het hof verwerpt op grond van het voorgaande het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting door kort gezegd een voertuig in brand te steken. Als gevolg van die brand is gemeen gevaar voor goederen ontstaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het verloop van een brand en de gevolgen daarvan onvoorspelbaar en zeer ernstig kunnen zijn. De gevaarzetting als gevolg van brandstichtingen is groot. Het spreekt voor zich dat dit feit gevoelens van onveiligheid en onzekerheid teweeg heeft gebracht bij personen woonachtig of verblijvende in de nabije omgeving. Door de brandstichting zijn twee voertuigen uitgebrand, waaronder dat van de verdachte, en is schade ontstaan aan een schuur, terwijl deze brandstichting plaatsvond middenin een woonwijk. Dat geen nabijgelegen huizen getroffen zijn lijkt te danken aan het snelle optreden van de brandweer maar allerminst aan het verantwoordelijkheidsgevoel van de verdachte die zich trachtte uit de voeten te maken, maar als bij toeval toch binnen enkele minuten in handen van de politie geraakte. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ten aanzien van soortgelijke feiten.
Ten slotte heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte is zelfstandige, heeft geen financiële zorgen, beschikt over een koopwoning en heeft inmiddels een uitkering van de verzekering ontvangen voor zijn uitgebrande auto.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Dat de verdachte hierdoor in zijn inkomsten als zelfstandige zal worden geraakt en zijn vrees bij een vrijheidsstraf alles kwijt te raken, brengt het hof niet tot een ander oordeel.
Alles afwegende acht het hof, met de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden.
Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 157 van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het voorgaande, voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. van Campen, voorzitter,
mr. A.C. Bosch en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.A.M.H. Hermans, griffier,
en op 22 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.