ECLI:NL:GHSHE:2025:3606

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
20-002913-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake valsheid in geschrift door een rechtspersoon

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, dat op 20 december 2022 was gewezen. De verdachte, een rechtspersoon, was eerder veroordeeld voor het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, en kreeg een geldboete van € 20.000, waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft het hof de vordering van de advocaat-generaal gehoord, die bevestiging van het vonnis heeft gevorderd, en de verdediging heeft vrijspraak bepleit. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, maar met aanvulling en verbetering van de gronden. Het hof heeft de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de rechtbank integraal vervangen om de leesbaarheid te verbeteren. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte valsheid in geschrift heeft gepleegd door documenten valselijk op te maken met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. De verdachte heeft geprobeerd om de referentiegegevens voor de vaststelling van fosfaatrechten te wijzigen door middel van valse documenten. Het hof heeft ook geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, wat heeft geleid tot een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete. De beslissing is gegrond op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002913-22
Uitspraak : 11 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 20 december 2022, in de strafzaak met parketnummer 01-995002-21 tegen:

[verdachte] ,

statutair gevestigd te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (primair), veroordeeld tot een geldboete van € 20.000,00, waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis wordt bevestigd.
De verdediging heeft op de in de pleitnota aangevoerde gronden vrijspraak van de gehele tenlastelegging bepleit.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling en verbetering van de gronden.
Voor wat betreft de gronden ziet het hof aanleiding op onderdelen te komen tot aanvullingen en verbeteringen. Teneinde de leesbaarheid ten goede te komen zal het hof hierna de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen evenals de bewijsoverweging van de rechtbank integraal vervangen. De overweging van de rechtbank die ziet op de toerekening aan de rechtspersoon blijft daarmee in stand. Voorts verbetert het hof de overwegingen van de rechtbank die tot oplegging van de straf hebben geleid voor zover deze zien op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, met inbegrip van de laatste alinea van die overwegingen. Het hof vervangt de betreffende overwegingen door die hieronder en vult deze nog aan met overwegingen die zien op de termijnoverschrijding in hoger beroep. Tot slot bestaat aanleiding de toepasselijke wettelijke voorschriften door de onderhavige te vervangen.
Bewijsmiddelen
Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen wordt voor wat betreft de door het hof gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de bewijsmiddelenbijlage, die bij dit arrest is gevoegd. De inhoud daarvan dient als hier ingelast te worden beschouwd.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Op 9 januari 2017 werd een voorbereidend onderzoek gestart door de Nederlandse Voedsel-
en Warenautoriteit (verder: NVWA) onder de naam Kievit. Dit onderzoek richtte zich op
[bedrijf] , een adviesbureau voor agrarische ondernemers onder meer op het
gebied van mestwetgeving, alsmede op haar bestuurders. Het voorbereidend onderzoek heeft geleid tot een strafrechtelijk onderzoek waarbij telefoongesprekken zijn afgeluisterd en gegevens zijn gevorderd bij diverse bedrijven en instanties. Uit het onderzoek zijn negen zogenoemde ‘zaaksdossiers’ voortgekomen, die in meer of mindere mate ten grondslag liggen aan de in dit onderzoek uitgebrachte dagvaardingen. Ook de tenlastelegging van de verdachte komt hieruit voort.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft op de gronden vermeld in het op schrift gestelde requisitoir
gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft op de gronden vermeld in de pleitnota integrale vrijspraak bepleit.
Opmerkingen vooraf
Voor de leesbaarheid van de overwegingen worden zowel de verdachte als zijn medeverdachten voor zover zij natuurlijke personen zijn bij hun achternaam aangeduid en voor zover zij een rechtspersoon zijn bij al dan niet verkorte bedrijfsnaam aangeduid. Het betreffen de volgende (mede)verdachten:
Naam: In het arrest aangeduid als:
[bedrijf]
[medeverdachte 1]
[verdachte]
[medeverdachte 2]
Ten aanzien van het primaire feit (zaaksdossier 1)
Op grond van de bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat sprake is van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van een specificatie niet geleverde melk en/of een ongedateerde brief (primair). Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 2] , als vennoot van en in die hoedanigheid uit hoofde van het melkveebedrijf, de documenten genoemd in de bewezenverklaring (DOC-01562 en DOC-01584) valselijk heeft opgemaakt ten behoeve van het melkveebedrijf en dat [medeverdachte 1] daarbij als medepleger kan worden aangemerkt. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Het hof is van oordeel dat de documenten niet conform de werkelijkheid door [medeverdachte 2] zijn opgemaakt. Immers blijkt uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien dat [medeverdachte 2] de op die documenten vermelde hoeveelheid weggegooide melk van 113.680 kilogram over het jaar 2015 heeft geconstrueerd aan de hand van een achteraf gefingeerde administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen (DOC-01586 tot en met DOC-01599), terwijl hij, zo is op zich niet in geschil, verplicht was deze administratie (‘real time’) bij te houden. Immers, zoals [medeverdachte 2] tegenover [medeverdachte 1] tijdens een telefoongesprek te kennen gaf, heeft [medeverdachte 2] al zijn beschikbare -en door hem te verantwoorden- medicijnen opgeteld, heeft hij gekeken naar de aantallen liters melk die hij op papier wenste te verantwoorden en heeft [medeverdachte 2] ten behoeve daarvan behandelingen van de dieren geconstrueerd. Van een daadwerkelijke en waarheidsgetrouwe administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen is daarmee geen sprake. Door de bewezenverklaarde gegevens vervolgens uitdrukkelijk mede te baseren op deze gepretendeerde administratie, zijn de geschriften waarin deze gegevens zijn vervat ook aan te merken als valselijk opgemaakte geschriften. Door deze handelwijze wordt immers ten onrechte de indruk gewekt dat de bewezenverklaarde gegevens (mede) berusten op correcte, objectieve informatie over diergeneesmiddelenbehandelingen.
Uit de in dit verband voor het bewijs gebezigde tapgesprekken met [medeverdachte 1] komt onder meer naar voren dat [medeverdachte 2] in eerste instantie in zijn berekening tot 79.000 kilogram melk kwam. Vervolgens uitte hij naar [medeverdachte 1] de noodzaak om nog 24.000 kilogram “weg te goochelen” en besprak hij met [medeverdachte 1] de optie om door middel van het aantal injectoren te goochelen met de getallen, (bijvoorbeeld) door voor een dier één injector met vijf dagen wachttijd op te geven in plaats van drie injectoren per dier te gebruiken. [medeverdachte 2] zei daarbij tegen [medeverdachte 1] : “hoe slim is die van RVO, want als je iemand hebt die er verstand van heeft, die zegt vriend je kan niet voor één injector vijf dagen wachttijd rekenen, want je moet drie injectoren gebruiken per ziektegeval, serveert hij mij ook af”. [medeverdachte 1] adviseerde daarop het “met die medicijnregistratie niet te bont te maken”. Daarnaast vroeg [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] advies over hoe hij het met “dat uitschrijven van dat geneesmiddelengebruik in handschrift” moest doen. [medeverdachte 2] vroeg of hij het moest “fotograferen en opsturen voor de echtigheid”, omdat het anders “niet geloofwaardig” zou overkomen. [medeverdachte 1] antwoordde daarop: “Ja, doe dat maar.” [medeverdachte 2] vroeg zich daarbij nog af hoeveel weggegooide melk van koeien met een hoog celgetal “redelijk is”, waarop [medeverdachte 1] antwoordde: “bij lange na niet dat soort hoeveelheden, normaal gesproken”. Op de vraag van [medeverdachte 2] of dit “geloofwaardig overkomt”, antwoordde [medeverdachte 1] dat dit afhankelijk zou zijn van de ambtenaar, dat hij er “vorige week een heeft gezien waarbij 2,5 ton melk is bij geplust” en dat ze dit ook “in één slag” geloofden. [medeverdachte 1] vermeldde daarbij dat “als die ambtenaar een goed weekend heeft gehad” dat allemaal kon schelen.
Voor zover is betoogd dat de documenten niet valselijk zijn opgemaakt, omdat de berekening zou zijn gemaakt door dierenartsen [arts 1] en [arts 2] , mist dat betoog doel. Dat [arts 1] de brief van 27 juni 2017 heeft ondertekend en bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij of een collega heeft meegerekend aan de cijfers in die brief, betekent namelijk niet dat de in de bewezenverklaring genoemde documenten overeenkomstig de werkelijkheid zijn opgemaakt. Daarnaast is het hof van oordeel dat de documenten geschriften betreffen die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen en dat zij zijn opgemaakt met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken. Immers, [medeverdachte 2] heeft de documenten genoemd in de bewezenverklaring valselijk opgemaakt teneinde een beroep te doen op de knelgevallenregeling in het kader van de toekenning van fosfaatrechten door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO). Nadat [medeverdachte 2] op 13 augustus 2016 was geïnformeerd dat de RVO per bedrijf de fosfaatrechten ging vaststellen aan de hand van de bij de RVO bekende gegevens van het bedrijf van het jaar 2015, heeft [medeverdachte 2] met zijn gemachtigd bedrijfsadviseur [medeverdachte 1] van [bedrijf] bij herhaling in 2016 en 2017 getracht de referentiegegevens voor de vaststelling van de fosfaatrechten voor het melkveebedrijf gewijzigd te krijgen. De referentiegegevens die oorspronkelijk bij de RVO geregistreerd waren voor het jaar 2015, te weten een totale melkproductie voor het melkveebedrijf in 2015 van 609.371 kilogram, zouden worden gebruikt voor de vaststelling van de fosfaatrechten van [medeverdachte 2] . Daar was [medeverdachte 2] het niet mee eens, die registratie moest hoger, zo blijkt uit de bewijsmiddelen. Immers, de hoeveelheid fosfaatrechten bepaalt voor een melkveehouder de omvang van zijn melkvee; een melkveehouder mag niet meer fosfaat produceren dan hem is toegekend door de RVO. Voorafgaande aan de brief van [medeverdachte 1] van 28 november 2017 met de gewraakte bijlagen, bestaande uit de valselijk opgemaakte specificatie en de ongedateerde brief, zijn alle eerdere verzoeken tot wijziging van de referentiegegevens niet gehonoreerd. Het belang van [medeverdachte 2] om de fosfaatrechten bijgesteld te krijgen, was er blijkens de gebezigde bewijsmiddelen (mede) in gelegen dat [medeverdachte 2] eerder melk in 2015 niet had afgeleverd en had weggegooid om onder meer superheffing uit te komen, terwijl hij die melk anno 2016 -na afschaffing van het melkquotum- nodig had, omdat de fosfaatrechten zouden worden vastgesteld op basis van de geregistreerde melkproductie in 2015. Het melkveebedrijf had in 2015 weliswaar meer melk geproduceerd, maar kennelijk (mede) om [medeverdachte 2] moverende redenen (melkquotum, ergo superheffing en niet (louter) als gevolg van een zieke veestapel) toen niet geleverd waardoor de referentiegegevens lager uitvielen dan de melkveestapel van [medeverdachte 2] in werkelijkheid had geproduceerd. Achteraf heeft [medeverdachte 2] daarom een administratie van diergeneesmiddelenbehandelingen gefingeerd om zo te onderbouwen dat in zijn melkveebedrijf sprake was van bijzondere omstandigheden die de RVO zouden nopen tot verhoging van zijn fosfaatrechten. Zo trachtte [medeverdachte 2] met de overgelegde diergeneesmiddelenregistratie en de daarop gebaseerde specificatie en ongedateerde brief de RVO voor te wenden dat hij in 2015 als gevolg van een zodanig zieke melkveestapel meer melk had geproduceerd dan geleverd.
Ten aanzien van het medeplegen door [medeverdachte 1] overweegt het hof nog dat is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. In het kader daarvan is het bij het ontbreken van een gezamenlijke uitvoering van belang dat de materiële en/of intellectuele bijdrage van [medeverdachte 1] aan het strafbare feit van voldoende gewicht is. Uit de tapgesprekken, zoals hiervoor reeds uiteengezet, maar ook uit het mailverkeer, blijkt dat [medeverdachte 1] als adviseur van [medeverdachte 2] en het melkveebedrijf een belangrijke rol heeft gespeeld bij het valselijk opmaken van de documenten die in de bewezenverklaring worden genoemd. [medeverdachte 1] fungeerde immers als klankbord voor [medeverdachte 2] bij het bedenken van de strategie voor een geslaagd beroep op de knelgevallenregeling en het ten behoeve daarvan construeren van de berekening van de hoeveelheid gederfde melk, zoals vermeld op de specificatie niet geleverde melk en de ongedateerde brief, aan de hand van een achteraf opgestelde (fictieve) diergeneesmiddelenregistratie. [medeverdachte 1] gaf in dat verband ook advies aan [medeverdachte 2] over hoe hij te werk moest gaan, zoals de wijze waarop de relevante gegevens (de diergeneesmiddelenregistratie) die aan de valsheid ten grondslag lagen, moesten worden opgemaakt. Daarnaast heeft hij [medeverdachte 2] gerustgesteld over de geloofwaardigheid van de opgegeven hoeveelheid gederfde melk. Aldus was [medeverdachte 1] op de hoogte van de valsheid van de op de documenten vermelde hoeveelheid gederfde melk en heeft hij dusdanig intellectueel bijgedragen aan de totstandkoming van de valse berekening daarvan dat sprake is van medeplegen. [medeverdachte 1] had op grond van zijn deskundigheid [medeverdachte 2] en diens melkveebedrijf kunnen en moeten adviseren om anders te handelen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft van meet af aan, vanaf de melding van de RVO op 13 augustus 2016 “met de klant meegedacht”, hetgeen er na meerdere afwijzingen eind 2017 in heeft geresulteerd dat [medeverdachte 1] eraan bijdroeg om een fictieve en daarmee valse berekening van de hoeveelheid gederfde melk over 2015 (geloofwaardig) op papier te krijgen om vervolgens, bij brief van 28 november 2017, de desbetreffende documenten bij de RVO in te dienen als zijnde echt en onvervalst, ten dienste van een verzoek tot wijziging van de fosfaatrechten van [medeverdachte 2] zijn melkveebedrijf.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 1] , [bedrijf] , [medeverdachte 2] en het melkveebedrijf als medeplegers kunnen worden aangemerkt ter zake van het primair bewezenverklaarde.
Aanvullende overwegingen ten aanzien van de strafoplegging
Het hof acht, alles afwegende zoals vermeld in de overwegingen ten aanzien van de strafoplegging als vermeld op pagina 12 in het vonnis van de rechtbank, oplegging van een onvoorwaardelijk geldboete van € 20.000,00 in beginsel passend, rekening houdend met de draagkracht van de verdachte voor zover daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
Redelijke termijn
Gebleken is dat bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is geschonden. Het hof overweegt dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Behalve natuurlijke personen kunnen ook rechtspersonen aanspraak maken op de in artikel 6 genoemde waarborgen. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de rechtspersoon een handeling is verricht waaraan in redelijkheid de verwachting kan worden ontleend dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Het hof overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg en het procesverloop in deze zaak het volgende. Het hof neemt de datum van de betekening van de inleidende dagvaarding als datum voor de aanvang van de redelijke termijn, 25 juni 2021. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 20 december 2022. Het hof is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg niet is geschonden.
In hoger beroep heeft als begintijdstip van de redelijke termijn te gelden de datum van het instellen van hoger beroep. In dit geval heeft de verdachte op 20 december 2022 hoger beroep laten instellen. Het hof doet heden, 11 december 2025, uitspraak. Het hof ziet voorts geen reden of bijzondere omstandigheden om in hoger beroep af te wijken van de hoofdregel in zaken als deze dat de redelijke termijn twee jaar bedraagt. In hoger beroep is de redelijke termijn daarmee met bijna één jaar overschreden. In verband daarmee acht het hof, in plaats van een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 20.000,00, oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete op zijn plaats. Het hof acht een geldboete van
€ 20.000,00, waarvan € 10.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren passend en geboden. Deze straf stemt geheel overeen met de door de rechtbank opgelegde straf.
Conclusie
Het hof verenigt zich, onder verbetering en aanvulling van de daartoe leidende overwegingen, met de door de rechtbank opgelegde straf.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming het voorgaande.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. T. van de Woestijne, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.H.M. van Gennip, griffier,
en op 11 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.