ECLI:NL:GHSHE:2025:3503

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
20-000273-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake medeplegen van mensensmokkel met eendaadse samenloop van feiten

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 5 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte was eerder vrijgesproken van mensensmokkel, maar het hof heeft het vonnis gedeeltelijk vernietigd en de verdachte alsnog schuldig bevonden aan het medeplegen van mensensmokkel. De zaak betreft de eendaadse samenloop van feiten waarbij de verdachte meermalen behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf in Nederland aan anderen, terwijl hij wist dat dit wederrechtelijk was. De rechtbank had de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging voor de bewezenverklaarde feiten, maar het hof heeft dit oordeel herzien. De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren. Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de aard en ernst van de feiten, en de gevolgen die de verdachte al heeft ondervonden van zijn handelen. De beslissing is gegrond op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000273-24
Uitspraak : 5 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 22 januari 2024, in de strafzaak met parketnummer 82-274985-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank:
-
Ten aanzien van feit 1
o de verdachte vrijgesproken van mensensmokkel van [betrokkene 1] en van het bestanddeel inhoudende dat de verdachte van de tenlastegelegde mensensmokkel zijn beroep en/of een gewoonte zou hebben gemaakt;
o het onder 1 tenlastegelegde voor het overige bewezenverklaard (het medeplegen van het behulpzaam zijn van [betrokkene 2] bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl de verdachte en zijn mededaders wisten dat die toegang wederrechtelijk was).
-
Ten aanzien van feit 2
o de verdachte vrijgesproken van mensensmokkel van [betrokkene 3] en van het bestanddeel inhoudende dat de verdachte van de tenlastegelegde mensensmokkel zijn beroep en/of een gewoonte zou hebben gemaakt;
o het onder 2 tenlastegelegde voor het overige bewezenverklaard (het medeplegen van het uit winstbejag behulpzaam zijn van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl de verdachte en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was).
-
Ten aanzien van feit 3
o de verdachte vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde;
o de verdachte vrijgesproken van de onder 3 subsidiair tenlastegelegde tewerkstelling van een illegale vreemdeling [betrokkene 3] ;
o het onder 3 subsidiair tenlastegelegde voor het overige bewezenverklaard (het medeplegen van de tewerkstelling van de illegale vreemdelingen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] ).
De rechtbank heeft vervolgens het onder 1 en 2 bewezenverklaarde niet strafbaar verklaard en de verdachte ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging.
De rechtbank heeft het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde gekwalificeerd als ‘medeplegen van: een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in
Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen
verrichten, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat die
toegang of dat verblijf wederrechtelijk is’, de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem ter zake veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep – zo begrijpt het hof – zal bevestigen met uitzondering de beslissing tot ontslag van alle rechtsvervolging ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en de beslissing omtrent de opgelegde straf en dat het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, alle bewezenverklaarde feiten (in eendaadse samenloop begaan) strafbaar zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof voor wat betreft de bewezenverklaring en strafbaarheid. Voorts is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing omtrent de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en de opgelegde straf. Het hof zal daarom het vonnis waarvan beroep in zoverre vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Omwille van de leesbaarheid zal het hof ook de beslissing omtrent de strafbaarheid van het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde en de strafbaarheid van de verdachte vernietigen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van mensensmokkel.

Het onder 2 en 3 (subsidiair) bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd

en

medeplegen van een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij weet dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
De verdediging heeft bepleit dat de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, redelijk is. Daartoe is – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. De verdachte is destijds al flink gestraft. Er verschenen nieuwsberichten in de media en in de regio en binnen de Chinese gemeenschap wist iedereen om wie het ging. Dat heeft niet alleen gezorgd voor verlies van klanten maar ook voor gezichtsverlies binnen die gemeenschap. Op dit moment draait de door de verdachte gedreven onderneming weer goed maar de onderhavige strafzaak hangt tegelijkertijd al lang als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. Daarbij moet ten slotte aandacht zijn voor het gegeven dat lange tijd onduidelijkheid bestond over de wet- en regelgeving en het dus ook voor de verdachte lastig was om vast te stellen wat mocht en wat niet, en dat de feiten in de onderhavige zaak inmiddels betrekkelijk oud zijn, aldus de verdediging.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het – kort gezegd – medeplegen van mensensmokkel (
feit 1) en aan het in eendaadse samenloop begaan van het medeplegen van het meermalen uit winstbejag een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl de verdachte en zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was (
feit 2) en het medeplegen van het meermalen tewerkstellen van een illegale vreemdeling (
feit 3 subsidiair).
Dergelijke feiten zijn strafbaar gesteld omdat daarmee het overheidsbeleid om illegaal verblijf in Nederland tegen te gaan wordt gefrustreerd. Bovendien leveren dergelijke feiten een acute gevaarzetting op voor de publieke kas. De gesmokkelden en tewerkgestelden draaien immers niet mee in het stelsel van sociale verzekeringen en genieten niet de sociale rechten die een persoon (al dan niet werknemer) met rechtmatig verblijf heeft. Daar komt voor wat betreft illegaal tewerkgestelden bij dat zij zich inherent in een onwenselijk afhankelijke positie bevinden ten opzichte van hun werkgever.
In deze zaak heeft de verdachte twee mensen illegaal tewerkgesteld.
[betrokkene 1]
Voor [betrokkene 1] geldt dat zij via een bemiddelingsbureau naar Nederland is gekomen en aanvankelijk in [bedrijf] in Valkenburg is gaan werken. Pas toen kwam de verdachte erachter dat zij niet de kwalificaties bezat die haar verblijfstitel vergde. De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij, nadat hij ontdekte dat [betrokkene 1] geen specialiteitenkok was, [betrokkene 1] een kans heeft willen geven om zich die kookvaardigheden eigen te maken. Hij deed dit in plaats van dat hij bij de betrokken instanties melding maakte dat de vergunning op basis van onjuiste gegevens was verstrekt.
Voor [betrokkene 1] zijn sociale premies en belastingen afgedragen. Zij kreeg huisvesting verzorgd en haar salarisbetaling waren in lijn met de daarvoor geldende regels.
Het hof rekent het de verdachte desondanks aan dat hij welbewust het Nederlandse beleid rondom arbeidsmigratie heeft doorkruist. Hij wist dat haar aanwezigheid in Nederland uitsluitend werd gerechtvaardigd door bijzondere vaardigheden waarover zij niet beschikte.
[betrokkene 2]
Voor [betrokkene 2] geldt dat hij door een bevriende Franse restauranthouder is uitgeleend aan de onderneming van de verdachte om enige tijd hand- en spandiensten te verrichten. De verrichte werkzaamheden waren niet specialistisch van aard. De verdachte had ook op andere wijze kunnen en moeten voorzien in een helpende hand.
De verdachte heeft [betrokkene 2] vanuit Frankrijk laten overkomen terwijl hij wist dat hij daarmee iemand zich wederrechtelijk toegang tot en verblijf in Nederland zou verschaffen. Daarmee heeft hij niet alleen het Nederlandse migratiebeleid doorkruist, maar heeft hij ook een bijdrage geleverd aan een vreemdelingenrechtelijk onrechtmatige toestand in Frankrijk. [betrokkene 2] draaide bovendien vanwege zijn illegale verblijfsstatus, anders dan [betrokkene 1] , niet mee in het stelsel van sociale zekerheid. Verdachte heeft zich bovendien niet vergewist van de voorwaarden waaronder [betrokkene 2] te werk was gesteld.
Al deze omstandigheden maken het tewerkstellen van [betrokkene 2] door de verdachte zeer laakbaar. Hoewel het hof begrijpt dat de verdachte alles in het werk stelde om zijn bedrijf overeind te houden, heeft hij door het laten overkomen van [betrokkene 2] de grenzen van het betamelijke ernstig overschreden. De verdachte lijkt zich bij [betrokkene 2] uitsluitend te hebben laten leiden door het feit dat [betrokkene 2] zonder tegenprestatie werd aangeboden. Dat alleen al had reden genoeg voor de verdachte moeten zijn om hieraan geen medewerking te verlenen.
Gelet op het vorenstaande rekent het hof de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
De verdachte beging het bewezenverklaarde in een periode waarin de onderneming van de verdachte vanwege de coronacrisis een zeer hectisch en onzeker bestaan doormaakte. De verdachte heeft, zoals vrijwel alle horecaondernemers in die periode, alle zeilen moeten bijzetten om zijn onderneming overeind te houden. Het hof weegt deze context in strafmatigende zin mee bij het bepalen van de op te leggen straf.
Ook zal het hof in strafmatigende zin rekening houden met het feit dat verdachtes bedrijf, [bedrijf] , al is beboet op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Eveneens houdt het hof in strafmatigende zin rekening met het feit dat de bewezenverklaarde gedragingen inmiddels meer dan vier jaar geleden hebben plaatsgevonden.
Ook weegt het hof in strafmatigende zin mee dat de verdachte een open proceshouding heeft, zich meewerkend heeft opgesteld en rekenschap heeft gegeven van wat hij verkeerd heeft gedaan en zich daarin ook schuldbewust toont.
Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 september 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een strafbaar feit.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is hieromtrent gebleken dat de verdachte nog steeds dezelfde onderneming drijft samen zijn broer, dat deze stabiel draait en het verloop van (met name het keuken)personeel momenteel beperkt is, maar dat de verdachte, zijn broer en hun ouders door de krappe arbeidsmarkt desondanks genoodzaakt zijn om zelf veel uren te maken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, is in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Het hof heeft echter ook oog voor de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de negatieve gevolgen die de verdachte al van het feit heeft ondervonden en de ouderdom van de feiten. Daarin ziet het hof aanleiding om van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf af te zien.
In plaats daarvan is het hof van oordeel dat – alles afwegende – oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is.
Met de oplegging van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 57, 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissingen omtrent de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 (subsidiair) bewezenverklaarde, de strafbaarheid van de dader, en de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht:
verklaart het onder 1, 2 en 3 (subsidiair) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. R.G.A. Beaujean en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. Vulto, griffier,
en op 5 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.