ECLI:NL:GHSHE:2025:3472

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
20-001600-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep op veroordeling voor uitvoer van 985 gram cocaïne

In deze strafzaak is de verdachte in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet, namelijk de uitvoer van 985 gram cocaïne. De politierechter legde een gevangenisstraf van 6 maanden op. De verdachte stelde hiertegen hoger beroep in.

Het hof heeft het bewezenverklaarde bevestigd, waarbij de verdachte het tenlastegelegde ter terechtzitting heeft bekend. Het hof heeft de strafoplegging heroverwogen en acht de eerder opgelegde straf onvoldoende gelet op de ernst van het feit en de hoeveelheid drugs. Het hof legt een gevangenisstraf van 8 maanden op, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Daarnaast beveelt het hof de teruggave van een in beslag genomen telefoon aan de verdachte, aangezien deze als rechthebbende kan worden aangemerkt. De overige onderdelen van het vonnis van de politierechter worden bevestigd.

De strafoplegging houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn gezinssituatie en werk, en met landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. De straf is deels voorwaardelijk om recidive te voorkomen en de ernst van het feit te weerspiegelen.

Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 1 december 2025.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 2 maanden voorwaardelijk en teruggave van in beslag genomen telefoon.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001600-25
Uitspraak : 1 december 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 juni 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-100813-25 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis integraal bevestigd wordt.
Namens de verdachte is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met uitzondering van de opgelegde straf. In zoverre zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd. Bijgevolg komen de strafoverwegingen van de politierechter te vervallen zullen deze worden vervangen door hetgeen hierna zal worden overwogen.
Het hof zal tevens de toepasselijke wettelijke voorschriften waarop de beslissingen van de politierechter zijn gegrond vervangen door de hierna opgenomen artikelen.
Aanvulling van de bewijsvoering
Het hof volstaat op de voet van het bepaalde in artikel 359 lid 3 Wetboek Pro van Strafvordering met de opgave van de bewijsmiddelen, aangezien de verdachte het bewezenverklaarde ter terechtzitting van het hof heeft bekend en er geen vrijspraak is bepleit. Het hof vult de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen aan met:
  • De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 17 november 2025.
  • Het proces-verbaal van aanhouding verdachte d.d. 2 april 2025 (pg. 29-30).
Op te leggen straf
De raadsman heeft het hof primair verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op te leggen en subsidiair om aansluiting te zoeken bij de eis van de officier van justitie in eerste aanleg, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) uitvoer, in de zin van artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, van 985 gram cocaïne. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de handel in cocaïne en tevens aan de instandhouding van het illegale drugscircuit, welk circuit een ontwrichtende werking heeft op de samenleving. Het is algemeen bekend dat de handel van (hard)drugs gepaard gaat met (zware) criminaliteit, gevaar voor de omgeving en milieuschade. Bovendien gaat er van drugshandel een ondermijnend en corrumperend effect uit. Het gebruik van drugs heeft ook nadelige maatschappelijke gevolgen zoals gezondheidsschade voor de gebruikers. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten kennelijk slechts gehandeld uit eigen belang en zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Ten aanzien van het uitvoeren van harddrugs is het oriëntatiepunt bij een gewicht van 500-1000 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 tot 8 maanden. Dit oriëntatiepunt heeft betrekking op first-offenders.
Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte waaronder hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, meer in het bijzonder dat de verdachte samenwoont met zijn vrouw en zij een koopwoning hebben. Verder is de verdachte werkzaam als tuinier.
Verder heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 september 2025 evenals op de inhoud van de ECRIS-uittreksel uit Portugal en Luxemburg d.d. 23 september 2025, allen betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit komt naar voren dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf zoals deze is opgelegd door de politierechter, waarvan door de advocaat-generaal bevestiging is gevorderd. Het hof is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten onvoldoende tot uitdrukking komt. De bewezenverklaarde 985 gram cocaïne zit aan de bovenkant van het eerder aangehaalde oriëntatiepunt van het LOVS. Het hof neemt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Alles afwegende – in het bijzonder de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.
Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof ten slotte bepalen dat tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf volledig zal plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering aan de orde is.
Beslag
De politierechter heeft geen beslissing genomen op de blijkens het procesdossier inbeslaggenomen telefoon (2844657). Het hof zal bepalen dat de telefoon aan de verdachte zal worden teruggegeven, nu deze als rechthebbende kan worden aangemerkt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- een telefoon (2844657);
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. R. Lonterman, voorzitter,
mr. M.J.M.A. van der Put en mr. W.P.A. Korver, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap, griffier,
en op 1 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. W.P.A. Korver is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.