[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
thans uit anderen hoofde verblijvende in de Penitentiaire Inrichting te [plaats 1] .
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als:
- ‘poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid’ (feit 1), en
- ‘wederspannigheid’ (feit 2),
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf onder parketnummer 20-001491-21 gelast, te weten een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met uitzondering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 20-001491-21 en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de tenuitvoerlegging van een gedeelte van vier maanden van deze voorwaardelijk opgelegde straf zal gelasten.
De raadsvrouw van de verdachte heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Indien het hof evenwel tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde zou komen, heeft de verdediging – in de vorm van een voorwaardelijk verzoek – het hof verzocht [getuige] als getuige te horen. Daarnaast heeft de raadsvrouw een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 20-001491-21 heeft de raadsvrouw het hof verzocht de vordering niet toe te wijzen en de proeftijd te verlengen.
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, op/aan de [adres] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere goederen, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om dat/die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel
- zich heeft begeven naar eerdergenoemde woning en/of
- uit het tuinhuisje in de tuin van eerdergenoemde woning twee tuinscharen heeft gepakt en/of
- met een tuinschaar, althans een stuk gereedschap, heeft geprobeerd een (klep)raam open te wrikken/breken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] (brigadier bij de Eenheid Oost-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter uitoefening van zijn politietaak waarbij hij, na aanhouding van verdachte, ter insluiting van verdachte, vingerafdrukken diende af te nemen en/of foto’s diende te maken van verdachte, door die [verbalisant 1] een of meerdere
- zogenoemde ‘knietjes’ te geven en/of
- zogenoemde ‘kopstoten’ (te) tracht(t)e(n) te geven.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op 5 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning aan de [adres] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere goed(eren) dat/die aan [slachtoffer 2] toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om dat/die zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak,
- zich heeft begeven naar eerdergenoemde woning en
- uit het tuinhuisje in de tuin van eerdergenoemde woning twee tuinscharen heeft gepakt en
- met een tuinschaar heeft geprobeerd een klepraam open te wrikken/breken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 5 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] (brigadier bij de Eenheid Oost-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten ter uitoefening van zijn politietaak waarbij hij, na aanhouding van verdachte, ter insluiting van verdachte vingerafdrukken diende af te nemen en foto’s diende te maken van verdachte, door die [verbalisant 1] knietjes te geven en te trachten kopstoten te geven.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2024219699, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2] , hoofdagent, en gesloten d.d. 5 oktober 2024, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-47.
1.
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 oktober 2024, dossierpagina’s 6-7, voor zover inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik doe aangifte van poging tot inbraak in mijn woning aan de [adres]
te ’s-Hertogenbosch. Op 5 oktober 2024, omstreeks 7.22 uur, lag ik beneden in mijn slaapkamer te slapen. Ik was alleen thuis. Ik werd wakker van de deurbel. Kort daarna hoorde ik mijn kat grommen. Ik ben toen gaan kijken. In de woonkamer keek ik uit het raam en ik zag toen een man bij mij in de achtertuin staan met een tuinschaar in zijn handen. Ik zag dat hij bezig was om het klepraam open te breken met de tuinschaar. Ik heb toen de politie gebeld.
Vervolgens kwam de politie bij mij thuis. Ik heb ze binnengelaten en verwezen naar de man in de tuin welke nog bezig was met de tuinschaar. De politie heeft de man ook gezien alleen de schuifpui van de woning was op slot waardoor de deur niet open kon.
Ik zag twee tuinscharen liggen in de tuin voor de schuifpui. Deze tuinscharen komen uit het tuinhuisje bij ons in de tuin. De man is dus ook in het tuinhuisje geweest.
Er is niks weggenomen. Het klepraam is vernield.
Ik kan de man als volgt omschrijven.
- wit poloshirt;
- kale donkere man.
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, dossierpagina’s 22-23, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :
Op 5 oktober 2025, omstreeks 07.55 uur, waren wij belast met de wijkzorg in de gemeente ’s-Hertogenbosch. Op genoemde datum en tijdstip werd door het Operationeel Centrum aan een eenheid de melding uitgegeven van een heterdaad inbraak op het adres Pastoor
Schoutenstraat 2 te ’s-Hertogenbosch.
Toen wij ter plaatse kwamen zagen wij dat de bewoonster, zijnde aangeefster [slachtoffer 2] , in de deuropening stond van haar woning aan de [adres] te ’s-Hertogenbosch en angstig keek. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , vroeg of de man nog in de tuin was, waarop zij dit bevestigde. Ik, verbalisant [verbalisant 3] , ben hierop meteen de woning ingegaan en had vanuit een raam, gelegen aan de achterzijde van de woning, zicht op de tuin. Ik zag dat een
donkergekleurde man met een petje op, mager postuur en gekleed in een zwarte jas, witte sweater en donkerkleurige broek een knipschaar in zijn handen vast had en hiermee knippende bewegingen maakte ter hoogte van een klepraam van een achterdeur.
Op het moment dat mijn collega, verbalisant [verbalisant 4] , erbij kwam zagen wij dat de man nog steeds bezig was met inbreken. Wij zagen namelijk dat hij nog steeds de knipschaar in zijn handen vast had en hiermee knippende bewegingen maakte ter hoogte van het klepraam. Wij zagen dat hij zijn petje afzette en zijn jas uitdeed, daar het hem kennelijk veel moeite kostte om het klepraam open te breken en hij het hierdoor warm kreeg. Wij vroegen aan aangeefster hoe wij bij de achtertuin konden komen aangezien wij niet via de achterdeur naar buiten konden daar deze dicht zat en er een wasmachine voor stond. Wij hoorden dat zij aangaf dat wij door de schuifpui naar de tuin konden en dat deze openstond. Op het moment dat ik, verbalisant [verbalisant 3] , de hendel van de schuifdeur wilde opendoen ging deze niet open en bleek deze toch dicht te zijn. Wij zagen vervolgens dat de later te noemen verdachte [verdachte] kennelijk hoorde dat wij de schuifpui probeerden open te doen en in onze richting keek. Wij zagen dat hij de knipschaar nog in zijn handen vasthad en deze vervolgens op een wasmachine, die in de tuin voor de achterdeur stond, neerlegde. Wij probeerden uit alle macht de deur open te maken en zagen dat de verdachte twijfelde om te blijven staan of weg te lopen, maar op het moment
(toevoeging hof: dat hij)zag dat wij de deur niet open kregen wegrende in de richting van de schuur/schutting gelegen aan de voorzijde en linkerzijde van de woning. Aangezien wij verder via geen enkele deur de tuin in konden zijn wij snel naar buiten naar de voorzijde van de woning gegaan om de verdachte bij de schuurdeur/zijkant van de woning op te vangen.
Ik, verbalisant [verbalisant 4] , zag vervolgens dat de verdachte wegrende via de openbare weg de [weg] op en de bocht naar rechts nam in de richting van [straat 1] . Ik, verbalisant [verbalisant 4] , ben in de richting van de [straat 2] gereden. Op de [laan] zag ik een man mij tegemoet lopen, die ik herkende als degene die aan het inbreken was bij de [adres] . Ik, verbalisant [verbalisant 4] , heb de man verzocht om te blijven staan met zijn handen tegen het dienstvoertuig aan. Ik zag dat de man stil bleef staan en heb hem vervolgens aangehouden.
Verdachte: [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1984).
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2024 met proces-verbaalnummer PL2100-2024219678-20, afzonderlijk opgemaakt, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Ten tijde van het inbreken keek de verdachte [verdachte] mij en mijn collega [verbalisant 3] recht aan in het gezicht. Op het moment dat wij de deur wilden opendoen en het niet lukte zagen wij dat hij in de richting van de schutting liep die uitkomt op de openbare weg aan de [weg] te ’s-Hertogenbosch. Mijn collega en ik zijn hierop meteen naar buiten gelopen. Ik ben de [weg] opgelopen en kon nog net zien dat dezelfde persoon, die ik kort daarvoor had zien inbreken bij de woning aan de [adres] , rende over het fietspad parallel van [straat 1] in de richting van de kruising [kruising] . Ik herkende deze persoon aan zijn postuur en zijn kleding als de persoon die ik kort daarvoor had gezien bij de inbraak van de woning. Ik ben in de richting van de [straat 2] gereden. Toen de verdachte mij later tegemoet kwam lopen op de [laan] herkende ik hem wederom aan zijn gezicht en kleding als degene die even daarvoor bij de woning gelegen aan de [adres] aan het inbreken was.
1.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, dossierpagina’s 19-20, voor zover inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :
Wij, verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 1] , kwamen op 5 oktober 2024 omstreeks 08.25 uur aan op
het politiebureau te ’s-Hertogenbosch alweer de verdachte werd ingesloten. Alvorens de verdachte ingesloten werd, diende voorafgaand
(toevoeging hof: aan)de insluiting vingerafdrukken en foto’s genomen te worden van de verdachte. Echter wenste hij hier niet aan mee te werken en zelfs na meermaals gewaarschuwd te hebben dat wij anders geweld zullen gebruiken, hoorden wij alle drie de verbalisanten dat de verdachte zei dat hij daar niet aan mee zal werken en dat hij het prima vond dat wij geweld zouden gaan gebruiken.
Uiteindelijk trachtte ik, [verbalisant 6] , wederom op de verdachte in te praten, echter kreeg ik het voornoemde wederom te horen. Ik pakte vervolgens samen met [verbalisant 5] de armen van de verdachte vast teneinde hem te bewegen richting de daarvoor bestemde identiteitsvaststellingszuil. Wij voelden direct dat hij zich schrap zette en zijn gewicht naar achteren liet hangen, teneinde het ons te bemoeilijken om hem voorwaarts richting voornoemde zuil te bewegen.
Uiteindelijk hadden wij, [verbalisant 6] en [verbalisant 5] , met moeite de verdachte voor de zuil kunnen krijgen. Op het moment dat hij voor de zuil stond, zagen wij dat hij zijn lichaam wederom naar achteren trachtte te gooien en dat hij meermaals tegen de zuil aan trapte.
Omdat ik, [verbalisant 1] , op het moment van het voornoemde voor de verdachte stond en getracht
had alsnog vingerafdrukken van hem te nemen, kreeg ik tweemaal een knietje van de verdachte tegen mijn benen en ik zag dat hij mij tot tweemaal toe een kopstoot trachtte te geven.
Verdachte: [verdachte] (geboren [geboortedatum] 1984).
2.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, dossierpagina 25, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 7] :
Op 5 oktober 2024 was ik belast met het kijken van camerabeelden welke waren opgenomen in het cellencomplex te ’s-Hertogenbosch. Alvorens dat ik de beelden bekeek, nam ik het proces-verbaal van bevindingen door van collega’s [verbalisant 6] , [verbalisant 5] en [verbalisant 1] . Hetgeen wat zei daarin omschreven hadden was te zien op de beelden. Ik zag dat verdachte [verdachte] trachtte een kopstoot te geven aan verbalisant [verbalisant 1] . Globaal is in het gehele fragment te zien dat verdachte [verdachte] niet mee wenste mee te werken aan het afnemen van vingerafdrukken en een gelaatsfoto.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden gelet op de herkenning van de verdachte ter plaatse door een verbalisant.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde. Daartoe is in de kern betoogd dat de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven waarom hij op dat moment op de [laan] was, het signalement van de inbreker niet overeenkomt met het signalement van de verdachte, er wisselend is geverbaliseerd over de (vlucht)route, er over een ambtshalve herkenning pas in het tweede proces-verbaal wordt gesproken en er aan die ambtshalve herkenning geen nadere duiding wordt gegeven.
Indien het hof evenwel tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde zou komen, heeft de verdediging – in de vorm van een voorwaardelijk verzoek – het hof verzocht [getuige] als getuige te horen. Daarmee kan duidelijkheid worden verschaft over de aanwezigheid van de verdachte op de plaats van aanhouding, namelijk dat hij onderweg was naar deze [getuige] .
Het oordeel van het hof
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat er op 5 oktober 2024 door een persoon is geprobeerd in te breken in de woning van aangeefster [slachtoffer 2] aan de [adres] te ’s-Hertogenbosch, door vanuit de tuin met een tuinschaar het klepraam open te breken. Na een melding van aangeefster zijn verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ter plaatse gekomen en zagen zij vanuit de woning de persoon die in de tuin bezig was met de poging tot woninginbraak. Deze persoon keek op een gegeven moment beide verbalisanten recht aan in het gezicht, waarna hij is weggerend via de [weg] in de richting van [straat 1] . Op de [laan] , een zijstraat van [straat 1] , zag verbalisant [verbalisant 4] de verdachte lopen. Zij herkende de verdachte als zijnde de man die daarvoor bij de woning van aangeefster [slachtoffer 2] aan het inbreken was en herkende hem aan zijn gezicht en kleding, te weten onder meer een donkerkleurige jas en witte bovenkleding. Daarop heeft zij de verdachte aangehouden.
Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan deze herkenning gedaan door verbalisant [verbalisant 4] , mede gelet op het korte tijdsbestek tussen het zien van de persoon in de tuin van de woning van aangeefster [slachtoffer 2] en het treffen van de verdachte op de [laan] . De verschillen in het signalement met betrekking tot de kleding van de verdachte en de persoon in de tuin – waaronder een zwarte jas in plaats van donkerblauwe jas, een witte sweater in plaats van wit T-shirt en een donkerkleurige broek in plaats van een lichtblauwe broek – zijn niet van dien aard dat de op ambtsbelofte opgemaakte herkenning terzijde dient te worden geschoven. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verschillen in de geverbaliseerde vluchtroute van de verdachte, nu vaststaat dat de verdachte in een kort tijdbestek na de poging tot inbraak in de nabijheid van de woning van aangeefster [slachtoffer 2] is aangetroffen en is herkend als zijnde de dader.
De verdachte heeft naar voren gebracht dat hij op het moment van zijn aanhouding onderweg was naar een goede vriendin, zijnde [getuige] , en dat hij vanuit het westelijk deel van ’s-Hertogenbosch ( [wijk 1] ) naar [wijk 2] was gelopen. De verdediging heeft in dat kader het voorwaardelijke verzoek gedaan [getuige] als getuige te horen. Het hof is van oordeel dat, voor zover deze getuige al zou verklaren dat de verdachte op weg naar haar toe was (de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep immers verklaard dat hij niet met haar had afgesproken), dat niet hoeft uit te sluiten dat de verdachte zich voorafgaand aan zijn voorgenomen bezoek aan haar schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot inbraak. Door de verdediging is onvoldoende concreet gemaakt waarom het horen van deze getuige in het kader van de waarheidsvinding relevant zou zijn voor de beoordeling van de zaak en waarom en in hoeverre het verhoor van die getuige redelijkerwijs geacht kan worden de positie van de verdediging te verstevigen. Gelet daarop is het hof van oordeel dat het horen van [getuige] als getuige redelijkerwijs niet relevant kan worden geacht voor de beantwoording van enige uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden vraag. Het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige] als getuige wordt derhalve afgewezen.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.
Ten aanzien van feit 2:
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tijdens zijn insluiting.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde. Daartoe is in de kern aangevoerd dat uit de camerabeelden niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het geven van knietjes en kopstoten aan politieagent [verbalisant 1] . Daarnaast voldoet het geweld dat door de politie is gebruikt niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er is onvoldoende rekening gehouden met de gevaren die verbonden waren aan het gebruik van het geweld door de politie, terwijl het doel, namelijk het vaststellen van de identiteit terwijl die al was vastgesteld, het gebruik van een vuistslag in het gezicht niet rechtvaardigt. Om die reden kan niet zonder twijfel worden gesteld dat verbalisant [verbalisant 1] in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was.
Het oordeel van het hof
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte op 5 oktober 2024 te ’s-Hertogenbosch zich met geweld heeft verzet tegen politieagent [verbalisant 1] . De verdachte wilde niet meewerken tijdens zijn insluiting bij het afnemen van vingerafdrukken en het nemen van foto’s. Daardoor is hij door onder meer verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 5] in de richting van de identiteitsvaststellingszuil bewogen. De verdachte heeft zich daarbij verzet en heeft [verbalisant 1] knietjes gegeven en getracht hem kopstoten te geven. Daaropvolgend heeft [verbalisant 1] de verdachte een vuistslag tegen het gezicht gegeven, teneinde het verzet te doen staken en hem vervolgens richting zijn cel te brengen (dossierpagina 20).
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of [verbalisant 1] daarmee in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was. In dat kader stelt het hof allereerst vast dat het door de verdachte gepleegde geweld tijdens zijn insluiting vooraf is gegaan aan de door [verbalisant 1] verrichte vuistslag. Het hof is van oordeel dat [verbalisant 1] gedurende het door de verdachte gepleegde geweld in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, nu hij na aanhouding van de verdachte ter insluiting vingerafdrukken van hem diende af te nemen en foto’s diende te maken van de verdachte. De vuistslag die [verbalisant 1] de verdachte, nadat deze hem knietjes gaf en kopstoten trachtte te geven, in het gezicht gaf, voldoet naar het oordeel van het hof voorts aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [verbalisant 1] heeft met het geven van deze vuistslag het verzet van de verdachte gepoogd te staken. Het hof is derhalve van oordeel dat [verbalisant 1] ook toen nog in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was.
Resumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze als in de bewezenverklaring is vermeld.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 1 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid.
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: