ECLI:NL:GHSHE:2025:3416

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
20-000786-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 2 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeerArt. 9 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens rijden onder invloed van cannabis met taakstraf opgelegd

De verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor het rijden onder invloed van cannabis op 31 oktober 2018 te Goes, met een bloedwaarde van 22 microgram THC per liter bloed, hoger dan de wettelijke grenswaarde. Tegen dit vonnis stelde de verdachte hoger beroep in bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter vanwege onvoldoende motivering en verklaarde het tenlastegelegde bewezen. Het hof oordeelde dat de verdachte onaanvaardbare risico's heeft genomen voor de verkeersveiligheid door onder invloed te rijden. Daarbij werd rekening gehouden met het justitiële verleden van de verdachte, dat meerdere eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten bevatte.

Het hof nam ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee, waaronder zijn instabiele leefomstandigheden, softdrugsgebruik en schulden, maar ook recente positieve ontwikkelingen zoals het verkrijgen van een sociale huurwoning en een aanstaande intake bij een psycholoog. Gezien deze factoren legde het hof een taakstraf van 20 uur op, subsidiair 10 dagen hechtenis. Het verzoek van de raadsman tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis wegens rijden onder invloed van cannabis.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000786-25
Uitspraak : 24 november 2025
TEGENSPRAAK (ex artikel 279 Sv Pro)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 3 december 2019, in de strafzaak met parketnummer 96-264685-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
De politierechter heeft de verdachte, bij vonnis waarvan beroep, ter zake van ‘overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 600,00, subsidiair 12 dagen hechtenis.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 20 uur, subsidiair 10 dagen hechtenis.
De raadsman heeft een straftoemetingsverweer gevoerd, aan welk verweer de raadsman van de verdachte een voorwaardelijk verzoek heeft verbonden.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met
aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 31 oktober 2018 te Goes, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 22 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 31 oktober 2018 te Goes, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 22 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de
feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de door de politierechter opgelegde geldboete, gelet op de financiële situatie van de verdachte en het tijdsverloop, niet langer passend is. Bovendien zou de verdachte bij een veroordeling een tweede strafpunt op zijn rijbewijs krijgen, hetgeen zou betekenen dat zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard. Dit zou enorme consequenties voor de verdachte hebben. Hij zou niet langer naar zijn kinderen en afspraken bij zijn psycholoog kunnen gaan, aldus de raadsman. De raadsman heeft het hof verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte, nu een tweede strafpunt een bepaalde onbillijkheid op zou leveren en er een groot tijdsverloop in de zaak is.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het rijden onder invloed van cannabis. Het is algemeen bekend dat het gebruik van dergelijke genotmiddelen het bewustzijn beïnvloedt en daarmee de rijvaardigheid. Hiermee heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid van hemzelf en zijn medeweggebruikers. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 september 2025, betreffende het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk ter zake van de overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 is veroordeeld. Deze veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Bovendien heeft het hof er rekening mee gehouden dat uit voormeld uittreksel de toepasselijkheid van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht blijkt.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies d.d. 11 december 2024. Daaruit komt naar voren dat er bij de verdachte sprake was van instabiliteit op diverse leefgebieden. De verdachte woonde op verschillende adressen, had geen werk en leefde van een daklozenuitkering. Tevens blijkt uit het reclasseringsadvies dat de verdachte diverse schulden had en bekend was met softdrugsgebruik.
Het hof heeft voorts acht geslagen op de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat de verdachte inmiddels over een sociale huurwoning beschikt, een uitkering ontvangt en dat er een WSNP-aanvraag in voorbereiding. Ook heeft de verdachte binnenkort een intakegesprek bij een psycholoog.
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof, met de advocaat-generaal, oplegging van een taakstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, passend en geboden. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Miniserie kan naar het oordeel van het hof niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft, naar het hof begrijpt, in het geval het hof de door de raadsman aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk zou achten, verzocht een nieuw reclasseringsrapport op te stellen. Nu het hof wel wil aannemen dat er bij de verdachte sprake is van een thans positieve ontwikkeling, behoeft het verzoek van de raadsman geen verdere bespreking.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. N. van der Laan, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. T. Farber, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. L. Beskers, griffier,
en op 24 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. Van der Laan en Farber zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.