ECLI:NL:GHSHE:2025:3380

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
20-001221-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mensenhandel met geweld en uitbuiting van een zeer jonge vrouw

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 26 november 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De verdachte is beschuldigd van mensenhandel, waarbij hij een zeer jonge vrouw (net 18 jaar) vanuit Bulgarije naar Nederland heeft gelokt onder het valse voorwendsel dat zij in de aardbeienteelt zou kunnen werken. Na haar aankomst in Nederland is het slachtoffer in de prostitutie beland, waar zij haar verdiensten grotendeels moest afstaan aan de verdachte. De verdachte heeft het slachtoffer onder druk gezet door geweld te gebruiken om haar in de prostitutie te houden. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige schendingen van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank had de verdachte eerder vrijgesproken van een ander feit, maar het hof heeft de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden, rekening houdend met de schending van de redelijke termijn in de procedure. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 13.756,00, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof heeft de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001221-23
Uitspraak : 26 november 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 april 2023, in de strafzaak met parketnummer
02-284926-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte door de rechtbank vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde en ter zake van ‘
mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl dit feit is vergezeld van geweld’veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 9.695,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, eveneens hoofdelijk en te vermeerderen met de wettelijke rente. De verdachte is veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van de uitspraak begroot op nihil De benadeelde partij is in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is het beslag, te weten een wapen en munitie, onttrokken aan het verkeer. Tot slot is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank ten aanzien van feit 2 vrijgesproken.
Ingevolge artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het tenlastegelegde is vrijgesproken.
Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraakbeslissing van de rechtbank van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de overweging omtrent het vormverzuim en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en, opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij integraal zal toewijzen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Namens de verdachte is primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is er een strafmaatverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis voor zover in hoger beroep nog aan de orde, met aanvulling en verbetering van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.
Het hof vult de volgende gronden aan of zal deze verbeteren: de bewijsmiddelen, de bewijsoverweging en de strafmotivering.
Bewijsmiddelen
Het hof vervangt en verbetert de bewijsmiddelen zoals gebruikt door de rechtbank. In het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverweging
Het hof vervangt de bewijsoverweging van de rechtbank in het vonnis op pagina 3 onder het kopje ‘bewijsuitsluitingsverweer’ door navolgende overwegingen.
De verdediging heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepleit dat bij de totstandkoming van de getuigenverklaringen van [slachtoffer] meerdere vormvoorschriften zijn verzuimd door zowel de tolken als de verbalisanten waardoor de verklaringen van [slachtoffer] uitgesloten moeten worden van het bewijs.
Het hof stelt vast dat door de verdediging in een eerder stadium is verzocht om bepaalde fragmenten uit het politieverhoor van [slachtoffer] opnieuw te vertalen en aan het dossier toe te voegen, waaraan uitvoering is gegeven. Hieruit blijkt dat er enkele malen een misverstand is geweest tussen de verbalisanten en de tolk. Bij de hernieuwde vertaling door de tweede tolk zijn deze misverstanden opgehelderd en daarmee hersteld. Anders dan de verdediging is het hof op geen enkele manier gebleken dat er sprake is van een opzettelijk onjuiste weergave van het verhandelde en evenmin kan worden geoordeeld dat er sprake is van een zodanig onzorgvuldige weergave van het verhoor dat deze niet representatief kan worden geacht. Bij het opmaken van het proces-verbaal gaat het namelijk veelal om een zakelijke weergave waarbij er geen woordelijke uitwerking van het verhoor plaatsvindt.
De verdediging heeft voorts bepleit dat door de verbalisanten sturende vragen zijn gesteld waardoor er bij aangeefster een “bepaald zaadje is geplant dat niet meer ontworteld kan worden”. Op dit punt is naar voren gebracht dat de verbalisanten de naam van de verdachte zouden hebben geïntroduceerd, terwijl [slachtoffer] enkel aangifte kwam doen tegen [medeverdachte] . Het hof acht niet aannemelijk geworden dat de verbalisanten zodanig sturende vragen hebben gesteld dat daardoor de verklaringsvrijheid van [slachtoffer] is aangetast en, meer in het bijzonder, zij de verdachte aanwijst als schuldige aan de uitbuiting. Het hof verwijst hierbij onder andere naar het proces-verbaal van verhoor aangever gedateerd 2 juli 2020 (pagina 1917) waarbij door de verbalisanten is opgenomen dat [slachtoffer] eerder aan ene [naam] heeft verteld dat ze via [verdachte] (de verdachte) naar Nederland is gekomen. Vanaf daar verklaart [slachtoffer] verder over de verdachte. Het is dus aangeefster zelf die in eerste instantie met de naam van de verdachte is gekomen.
Naar het oordeel van het hof is er dan ook geen sprake van enig vormverzuim in de wijze van verhoren van [slachtoffer] en kunnen haar verklaringen gebezigd worden tot het bewijs.
Strafmotivering
Het hof verbetert en vult aan de strafmotivering van de rechtbank als genoemd onder 6.3, pagina 9 t/m 11 van het vonnis. Omwille van de leesbaarheid wordt de bestaande tekst voornoemd vervangen door de volgende overwegingen.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de uitbuiting van de zeer jonge (net 18 jaar oude) [slachtoffer] . Daartoe heeft de verdachte [slachtoffer] vanuit Bulgarije naar Nederland gelokt onder het valse voorwendsel dat zij in de aardbeienteelt zou kunnen werken. Uiteindelijk is zij kort na aankomst in Nederland in de prostitutie beland en heeft zij haar verdiensten grotendeels moeten afstaan. Om [slachtoffer] in de prostitutie te houden heeft de verdachte daartoe twee keer geweld gebruikt. De strafbaarstelling van mensenhandel beoogt uitbuiting van personen te voorkomen en bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen. Iemand dwingen om in de prostitutie te werken is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van degene die het slachtoffer uitbuit. De verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze jonge vrouw (het slachtoffer) en heeft daarmee haar lichamelijke integriteit aangetast. Gezien het vorenstaande rekent het hof het de verdachte dan ook zwaar aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 19 september 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor een soortgelijk strafbaar feit in Nederland is veroordeeld. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals ter terechtzitting naar voren zijn gebracht.
Het hof is van oordeel dat, in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in beginsel passend en geboden. Daarbij heeft het hof de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van mensenhandel, tevens in aanmerking genomen.
Schending redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
De aanvang van de redelijke termijn in eerste aanleg stelt het hof vast op de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld, te weten 10 november 2020. Het einde van de termijn stelt het hof op 14 april 2023, de datum waarop de rechtbank vonnis heeft gewezen. Voorts is het hof gebleken dat het ten aanzien van de verdachte gelaste bevel gevangenhouding met ingang van 13 oktober 2021 is geschorst. Daarmee is de redelijke termijn in eerste aanleg, die voor deze fase – nu de verdachte daarvan zo’n 11 maanden in voorarrest heeft doorgebracht – op 16 maanden wordt gesteld, overschreden met ruim 1 jaar en 1 maand.
De aanvang van de termijn in hoger beroep stelt het hof vast op de datum waarop namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, te weten 28 april 2023. Het einde van de termijn stelt het hof op 26 november 2025, de datum waarop het hof arrest zal wijzen. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep, die voor deze fase op twee jaren wordt gesteld, overschreden met ruim 7 maanden.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 14.695,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering bestaat uit een bedrag van € 4.695,- aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade.
Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 9.695,00. In het overige deel van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.
Oordeel hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Het hof is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte en [medeverdachte] een deel van haar inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden heeft moeten afstaan aan [medeverdachte] . Gelet op de verklaringen van [slachtoffer] , te weten dat zij een deel van haar geld aan [medeverdachte] heeft afgestaan en daarnaast van haar deel nog onkosten aan hem moest betalen, schat het hof de materiële schade op een bedrag van € 3.756,-. Het overige deel van de vordering zal het hof op dit punt afwijzen.
Immateriële schade
Namens [slachtoffer] is aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en [medeverdachte] . Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van het feit mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggend zijn, dat zondermeer is aan te nemen dat er sprake is van immateriële schade. Dit blijkt het hof ook genoegzaam uit de onderbouwing van de vordering. Het hof acht een bedrag van € 10.000,- toewijsbaar.
Wettelijke rente
De wettelijke rente over de schade wordt toegewezen vanaf 23 juni 2020, zijnde de laatste dag van de bewezenverklaarde periode.
Hoofdelijkheid
Het hof stelt vast dat de verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat beiden naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade.
Proceskosten
Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 13.756,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte hoofdelijk de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

BESLISSING

Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel en doet in zoverre opnieuw recht:
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 13.756,00 (dertienduizend zevenhonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 3.756,00 (drieduizend zevenhonderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 tot aan de dag der voldoening;
wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;
legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.756,00 (dertienduizend zevenhonderdzesenvijftig euro) bestaande uit € 3.756,00 (drieduizend zevenhonderdzesenvijftig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 103 (honderddrie) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;
bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt;
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het vorenoverwogene, voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 26 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.