ECLI:NL:GHSHE:2025:3379

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
20-001220-23
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel in mensenhandelzaak

Op 26 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, dat op 14 april 2023 was gewezen. De zaak betreft een vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene was vastgesteld op € 4.695,-. De rechtbank had de betrokkene verplicht tot betaling van € 2.347,50 aan de Staat ter ontneming van dit voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, waarbij primair werd bepleit dat de vordering afgewezen moest worden in verband met een bepleitte vrijspraak in de hoofdzaak, en subsidiair werd verzocht om vermindering van het te ontnemen bedrag.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, omdat het hof zich niet kon verenigen met de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was dat de betrokkene daadwerkelijk financieel voordeel had genoten uit de strafbare feiten. De verklaringen van de aangeefster en de medebetrokkene gaven geen duidelijke aanwijzingen dat de betrokkene geldelijk voordeel had ontvangen. De vordering op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht werd derhalve afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk was geworden dat de betrokkene enig financieel voordeel had genoten door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde of andere strafbare feiten.

De beslissing van het hof was om de vordering tot betaling aan de Staat af te wijzen, en het hof deed opnieuw recht in deze zaak.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001220-23
Uitspraak : 26 november 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 april 2023 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 02-284926-20 tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 4.695,- en is aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van € 2.347,50 aan de Staat ter ontneming.
Namens de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen.
Namens de betrokkene is primair bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen in verband met de bepleitte vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair is verzocht het te ontnemen bedrag te verminderen.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
De beoordeling
Bij arrest van heden heeft dit hof in de onderliggende strafzaak met parketnummer 20-001221-23 – voor zover relevant – het vonnis van de rechtbank bevestigd waarbij de betrokkene tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest is veroordeeld ter zake van het ‘
mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 3°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl dit feit is vergezeld van geweld’.Het hof heeft daarmee de bewezenverklaring van de rechtbank bevestigd dat de verdachte – kort samengevat – in de periode van 4 juni 2020 tot en met 23 juni 2020 tezamen en in vereniging met een ander voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van een ander.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde of van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan.
Het hof overweegt het volgende.
Bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel van ontneming, bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, uitgegaan te worden van het voordeel dat betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.
Uit het onderhavige dossier alsmede het onderzoek ter terechtzitting kan het hof niet vaststellen of de betrokkene daadwerkelijk enig geldelijk voordeel heeft genoten. Zo volgt uit de verklaring van aangeefster dat zij de helft van haar geld afstond aan [medebetrokkene] en dat deze [medebetrokkene] daarnaast haar gespaarde geld in bewaring had. Zij heeft slechts eenmaal gezien dat [medebetrokkene] aan de betrokkene geld heeft gegeven. Daarbij is haar niet duidelijk geworden om welk geld dit precies ging. [medebetrokkene] heeft zelf verklaard dat hij geen geld aan de verdachte heeft gegeven. Gelet op het vorenstaande heeft het hof geen aanwijzingen verkregen dat er daadwerkelijk voordeel is genoten door de betrokkene.
Het hof heeft uit het onderzoek ook overigens geen aanwijzingen verkregen dat de betrokkene anderszins wederrechtelijk voordeel heeft genoten als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op het voorgaande is voor het hof niet voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene enig financieel voordeel heeft genoten door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde of andere strafbare feiten. De vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt derhalve afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. R. Lonterman, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,
en op 26 november 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.