Op 26 november 2025 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, dat op 14 april 2023 was gewezen. De zaak betreft een vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene was vastgesteld op € 4.695,-. De rechtbank had de betrokkene verplicht tot betaling van € 2.347,50 aan de Staat ter ontneming van dit voordeel. De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, waarbij primair werd bepleit dat de vordering afgewezen moest worden in verband met een bepleitte vrijspraak in de hoofdzaak, en subsidiair werd verzocht om vermindering van het te ontnemen bedrag.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, omdat het hof zich niet kon verenigen met de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was dat de betrokkene daadwerkelijk financieel voordeel had genoten uit de strafbare feiten. De verklaringen van de aangeefster en de medebetrokkene gaven geen duidelijke aanwijzingen dat de betrokkene geldelijk voordeel had ontvangen. De vordering op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht werd derhalve afgewezen, omdat niet voldoende aannemelijk was geworden dat de betrokkene enig financieel voordeel had genoten door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde of andere strafbare feiten.
De beslissing van het hof was om de vordering tot betaling aan de Staat af te wijzen, en het hof deed opnieuw recht in deze zaak.