De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling, waarbij hij samen met zijn broer zijn zussen meenam, mishandelde en hun telefoons afnam. De rechtbank sprak hem partieel vrij van medeplegen van mishandeling van een van de slachtoffers.
In hoger beroep werd de partiële vrijspraak als beschermde vrijspraak aangemerkt, waardoor het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaarde voor dat deel van het hoger beroep. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de feiten, voegde aanvullend bewijs toe in de vorm van een getuigenverklaring en oordeelde over de betrouwbaarheid van de verklaringen van een van de slachtoffers.
De verdachte en zijn broer hadden de slachtoffers onder dwang meegenomen, mishandeld en geïntimideerd, waarbij onder meer pepperspray werd gebruikt. Het hof oordeelde dat de verdachte onvoldoende inzicht toonde in de ernst van zijn handelen. Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde het hof een jeugddetentie van 158 dagen op, met aftrek van het voorarrest, en wees een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden toe.
De redelijke termijn in hoger beroep was met ruim 11 maanden overschreden, hetgeen het hof verrekende door 12 uren van de jeugddetentie af te trekken. Het vonnis van de rechtbank werd in zoverre vernietigd en vervangen door het arrest van het hof.