Deze zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin omgang tussen de grootmoeder en de minderjarige werd vastgesteld tot één keer per maand op zondag gedurende acht uur. De minderjarige staat sinds september 2022 onder toezicht van een gecertificeerde instelling en verblijft in een pleeggezin.
De moeder had bij het hof verzocht de beschikking te vernietigen en een omgangsregeling van één dag per maand op zondag gedurende vier uur toe te wijzen. De grootmoeder voerde geen verweer. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 januari 2025 verschenen de grootmoeder en pleegouders niet, maar de moeder, haar advocaat, de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming waren wel aanwezig.
Na een korte schorsing heeft de moeder het hoger beroep ingetrokken, omdat zij het contact tussen de grootmoeder en de minderjarige als goed beoordeelt en zich wil richten op haar eigen herstel en het contact met haar dochter. Het hof verklaarde haar daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep en handhaafde de beschikking van de rechtbank.