Het hof overweegt daartoe het volgende. Medio juni 2021 zijn de kinderen voor het eerst onder toezicht gesteld van de GI. De kinderen hadden veel last van de strijd tussen de ouders, omdat het de ouders niet lukte om in het belang van de kinderen afspraken te maken. Tijdens de duur van de ondertoezichtstelling, juni 2021-juni 2024, is er veelvuldig hulpverlening ingezet om de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen weg te nemen. Dit betrof onder andere hulp vanuit [instantie 1] , [instantie 2] , [instantie 3] , [instantie 4] , [instantie 5] , [instantie 6] , [instantie 7] , een gezinsopname van de moeder met de kinderen bij [instantie 8] , [instantie 9] en [instantie 10] .
Het hof leidt af uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat ondanks deze hulpverlening de situatie tussen de ouders onveranderd is en er nog steeds nauwelijks communicatie is tussen de ouders. Als er wel communicatie is ontaardt dit doorgaans in strijd.
Gelet op hun leeftijd zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer bewust getuige geweest en hebben zij meer last (gehad) van de langdurige (echtscheidings)strijd tussen de ouders. Daarbij speelt ook een rol dat er, ondanks de inzet van de hulpverlening en de inspanningen van de GI, al meer dan vier jaar geen contact is tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader is, los van de reden waarom er geen contact meer is, een belangrijke hechtingsfiguur in hun leven en contact is in principe in hun belang. De afstand heeft er ook voor gezorgd dat het negatieve beeld wat er van de vader is ontstaan steeds groter is geworden. De raad heeft in het voornoemde raadsrapport benoemd dat indien het beeld van de vader negatief blijft de raad bezorgd is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de knoei komen met zichzelf als het gaat om emoties en identiteitsontwikkeling. Kinderen in soortgelijke situaties kunnen problemen hebben met het opbouwen van vertrouwen, zich emotioneel opstellen en intieme banden aangaan. Dit kan leiden tot gevoelens van isolatie en het vermijden van nauwe relaties.
Over [minderjarige 3] en [minderjarige 4] zijn geen ernstige zorgen naar voren gekomen uit het raadsonderzoek. Zij hebben wel structureel contact met de vader. Het hof is echter van oordeel dat er ook bij hen sprake is van een ontwikkelingsbedreiging nu er nog steeds sprake is van een slechte communicatie tussen de ouders. Dit leidt ook nu nog voor spanningen waar de kinderen last van hebben.
Het hof ziet echter niet in wat er, anders dan alle hulp die in de afgelopen jaren in het kader van de achtereenvolgende ondertoezichtstellingen is aangeboden en gelet op de inspanningen geleverd door de GI, nu nog kan worden ingezet dat er toe zal leiden dat deze (ernstige) bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen wordt weggenomen.
Het hof is van oordeel dat een nieuwe ondertoezichtstelling onder leiding van een andere GI geen verandering zal brengen in de bestaande situatie tussen de ouders. Zoals ook eerder het geval was ligt de verantwoordelijkheid om wijziging in de bestaande situatie aan te brengen bij de ouders en niet bij de kinderen. Zij hebben afgelopen jaren meer dan voldoende hulpverlening gehad om te kunnen omgaan met de bestaande situatie. Een nieuwe ondertoezichtstelling zal daar niets meer aan kunnen toevoegen. Daar komt bij dat het hof gebleken is dat het na het afsluiten van de ondertoezichtstelling goed gaat met de kinderen en dat uit de gesprekken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is gebleken dat zij nu meer rust ervaren en zij zich nu meer kunnen richten op hun eigen leeftijdsadequate ontwikkeling. Gelet ook op de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acht het hof het niet opportuun om hernieuwde pogingen in het werk te stellen om het contact tussen hen en de vader te herstellen.