Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een minderjarige is geboren. De vader erkende het kind, maar de moeder oefent het gezag uit. De rechtbank wees het verzoek van de vader af om gezamenlijk gezag en een omgangsregeling vast te stellen. De vader ging hiertegen in hoger beroep en verzocht om een nieuwe kans, stellende dat hij gemotiveerd is om het contact te verbeteren en hulpverlening te accepteren.
De moeder stelde dat het gezamenlijk gezag niet mogelijk is vanwege het onaanvaardbare risico dat het kind klem raakt tussen de ouders, mede gezien een strafrechtelijke veroordeling van de vader wegens bedreiging en het opgelegde contact- en locatieverbod dat de vader meerdere malen heeft overtreden. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens de afwijzing te bekrachtigen.
Het hof overwoog dat het verzoek op grond van artikel 1:253c BW slechts kan worden toegewezen indien geen onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem raakt. Het hof constateerde dat de vader tijdens de mondelinge behandeling een respectloze en onvolwassen houding vertoonde, het contactverbod en locatieverbod niet naleeft en geen motivatie toont om hulpverlening te accepteren. Hierdoor is het belang van het kind niet gediend.
Daarom bekrachtigde het hof de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 maart 2024 en wees het verzoek van de vader af, waarmee het gezamenlijk gezag en omgangsregeling niet worden toegewezen.