ECLI:NL:GHSHE:2025:1462

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 mei 2025
Publicatiedatum
26 mei 2025
Zaaknummer
20-003072-21
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Mensenhandel en eenvoudig witwassen door twee of meer verenigde personen

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 22 mei 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mensenhandel en medeplegen van eenvoudig witwassen. Het hof sprak de verdachte vrij van het eerste feit, maar achtte de tweede en derde feiten wel bewezen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 268 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. De zaak betreft de uitbuiting van twee slachtoffers in de prostitutie, waarbij de verdachte en zijn medeverdachten gebruik maakten van dwangmiddelen en misbruik maakten van de kwetsbare posities van de slachtoffers. Het hof oordeelde dat de verdachte opzettelijk voordeel had getrokken uit de uitbuiting van de slachtoffers en dat hij zich schuldig had gemaakt aan het medeplegen van eenvoudig witwassen van de opbrengsten uit deze uitbuiting. De uitspraak houdt rekening met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure, wat heeft geleid tot een deels voorwaardelijke straf.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003072-21
Uitspraak : 22 mei 2025
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 15 december 2021 in de strafzaak met parketnummer 01-238391-20 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van – kort gezegd – mensenhandel gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 1), mensenhandel, gepleegd door twee of meer verenigde personen (feit 2) en medeplegen van witwassen (feit 3) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest.
Door de verdediging is vrijspraak bepleit en daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 2 september 2019 tot en met 17 december 2019 te Helmond en/of Vianen en/of Veldhoven en/of Eindhoven en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, genaamd [slachtoffer 1] (werknaam [werknaam slachtoffer 1] ),
(telkens) met een of meer van de onder lid 1, sub 1°, van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,
heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en/of
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (sub 4), en/of
heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (sub 9),
en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 6),
waarbij voornoemde (onder sub 4) “enige handeling” heeft bestaan uit:
- het begeleiden/vervoeren van die [slachtoffer 1] bij/naar seksafspraken en/of
- het bijhouden en/of in ontvangst nemen van de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 1] en/of
- het opmaken en/of versturen van (een) betaalverzoek(en), bedoeld voor de klant(en) van die [slachtoffer 1] ;
2.
hij in of omstreeks de periode van 2 september 2019 tot en met 11 juni 2020 te Helmond en/of Vianen en/of Veldhoven en/of Eindhoven en/of elders in Nederland en/of België
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een ander, genaamd [slachtoffer 2] ,
(telkens) met een of meer van de onder lid 1, sub 1°, van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,
heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1), en/of
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (sub 4), en/of
heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor een derde tegen betaling (sub 9),
en/of
(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 6),
waarbij voornoemde (onder sub 4) “enige handeling” heeft bestaan uit:
- het begeleiden/vervoeren van die [slachtoffer 2] bij/naar seksafspraken en/of
- het kopen van credits voor de seksadvertentie (op [website] ) van die [slachtoffer 2] en/of
- het bijhouden en/of in ontvangst nemen van de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 2] en/of
- het opmaken en/of versturen van (een) betaalverzoek(en), bedoeld voor de klant(en) van die [slachtoffer 2] ;
3.
hij in of omstreeks de periode van 2 september 2019 tot en met 11 juni 2020 te Helmond en/of Vianen en/of Veldhoven en/of Eindhoven en/of elders in Nederland en/of België
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- van (een) voorwerp(en), te weten diverse geldbedragen (opbrengsten uit seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voormeld(e) voorwerp(en) was, en/of
- (een) voorwerp(en), te weten diverse geldbedragen (opbrengsten uit seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van voormeld(e) voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voormeld(e) voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Met de verdediging is het hof van oordeel dat uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de uitbuiting van [slachtoffer 1] . De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] slechts één à twee keer heeft vervoerd en dat hij eigenlijk geen contact met haar heeft gehad. Hij heeft tevens verklaard dat hij hieraan niet zou hebben verdiend. Op de vraag of de naam [verdachte] haar wat zegt, heeft [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris verklaard:
“weet ik niet, volgens mij was dat die andere die mij soms wegbracht, maar dat weet ik niet zeker”.Op grond van het procesdossier kan het hof dan ook niet vaststellen dat de verdachte heeft geweten van de kwetsbare positie van [slachtoffer 1] en van de omstandigheden waaronder zij haar prostitutiewerkzaamheden heeft (moeten) verrichten.
Het hof is van oordeel dat, nu het bewijs ontbreekt dat de verdachte dwangmiddelen heeft ingezet en het bewijs ontbreekt dat hij dit in een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] of een ander of anderen heeft gedaan, de onder feit 1 tenlastegelegde subs 1, 4 en 9 niet kunnen worden bewezen.
Het verwijt onder 6° heeft betrekking op het opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting van [slachtoffer 1] , waarbij het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van die [slachtoffer 1] . Het hof is van oordeel dat op grond van het procesdossier kan worden vastgesteld dat de verdachte weliswaar wist van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] , dat hij haar een enkele keer heeft vervoerd, daarmee wellicht wat verdiende, maar dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat de verdachte wetenschap had van de uitbuitingssituatie waarin [slachtoffer 1] verkeerde, laat staan dat hij zelf het opzet had op haar uitbuiting. Om die reden kan ook sub 6 niet worden bewezen.
Dit maakt dat het hof de verdachte vrijspreekt van al het onder feit 1 tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
2.
hij in de periode van 2 september 2019 tot en met 11 juni 2020 in Nederland
tezamen en in vereniging met anderen,
[slachtoffer 2] ,
telkens met een of meer van de onder lid 1, sub 1°, van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,
heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 1) en
enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (sub 4) en
heeft bewogen hem, verdachte, en zijn mededaders te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor een derde tegen betaling (sub 9) en
telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (sub 6)
waarbij voornoemde (onder sub 4) “enige handeling” heeft bestaan uit:
- het begeleiden/vervoeren van die [slachtoffer 2] bij/naar seksafspraken en
- het kopen van credits voor de seksadvertentie (op [website] ) van die [slachtoffer 2] en
- het bijhouden en in ontvangst nemen van de opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer 2] en
- het opmaken en versturen van betaalverzoeken, bedoeld voor de klanten van die [slachtoffer 2] ;
3.
hij in de periode van 2 september 2019 tot en met 11 juni 2020 in Nederland
tezamen en in vereniging met een ander of anderen
voorwerpen, te weten diverse geldbedragen (opbrengsten uit seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] ),
heeft verworven en/of voorhanden gehad
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat voormelde voorwerpen onmiddellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Het standpunt van de advocaat-generaal voor zover – gelet op voornoemde vrijspraak – nog aan de orde
De advocaat-generaal acht – conform het vonnis waarvan beroep – bewezen dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel – zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, sub 1, sub 4, sub 6 en sub 9 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) – ten aanzien van [slachtoffer 2] en aan het medeplegen van witwassen. Zijn werkzaamheden bestonden uit het optreden als chauffeur en beveiliger, het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de betalingen, het boeken van kamers, het ter beschikking stellen van zijn bankrekening, het innen van gelden en het omhoog plaatsen van seksadvertenties. De verdachte heeft zijn werkzaamheden voortgezet nadat [medeverdachte 1] voor justitie op de vlucht was.
Het standpunt van de verdediging voor zover – gelet op voornoemde vrijspraak – nog aan de orde
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten onder 2 en 3. Daartoe is primair aangevoerd dat geen sprake is geweest van een uitbuitingssituatie, dan wel een gezamenlijk plan dat ziet op uitbuiting. De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat de verdachte geen oogmerk heeft gehad op de uitbuiting en ook niet opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die uitbuiting nu hij destijds niet heeft geweten en ook niet heeft vermoed dat er sprake was van een uitbuitingssituatie.
De raadsman heeft ten aanzien van feit 3, het medeplegen van witwassen, aangevoerd dat dit evenmin bewezen kan worden gelet op de bepleite vrijspraken van de feiten 1 en 2.
Het oordeel van het hof
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Het hof overweegt als volgt.
Onder bepaalde voorwaarden is prostitutie in Nederland legaal. Dit is anders als (daarnaast) sprake is van mensenhandel. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273f (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en de jurisprudentie volgt dat de strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Het te beschermen belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Artikel 273f Sr (oud) beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van die integriteit en vrijheid. Bij mensenhandel moet altijd uitgegaan worden van de intentie van de dader, niet van die van het slachtoffer.
In het onderzoek Moncton zijn verdachten naar voren gekomen die allen worden verdacht van mensenhandel binnen de prostitutiebranche. Het gaat daarbij steevast om de verdenking van diverse varianten van mensenhandel zoals deze zijn opgenomen in de onderscheidenlijke onderdelen van het eerste lid van artikel 273f Sr. Het hof zal hierna eerst kort stilstaan bij het juridisch kader van mensenhandel tegen welke achtergrond het hof de verdenking heeft bezien. Het hof zal daarbij de diverse varianten – voor zover relevant – en de uitgangspunten die het hof daarbij hanteert uiteenzetten.
Juridisch kader
Sub 1
In sub 1 zijn diverse handelingen strafbaar gesteld voor zover deze worden gefaciliteerd door een dwangmiddel en met het oogmerk van uitbuiting worden verricht.
Handelingen
De handelingen (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opnemen) hebben elk een neutrale en feitelijk betekenis en kunnen worden begrepen aan de hand van dagelijks taalgebruik. Zij dienen ruim te worden uitgelegd.
Dwangmiddelen
De dwangmiddelen – voor zover deze een punt van aandacht zijn geweest tijdens de behandeling ter terechtzitting – zijn ‘een andere feitelijkheid’, ‘misleiding’, ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (‘een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep’) belandt of dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
Het begrip ‘dwang’ moet ruim worden uitgelegd en worden bekeken in de hele context waarin de handelingen van de verdachte plaatsvinden. Het slachtoffer zal door aanwending van dwang tegen zijn zin in een situatie van uitbuiting zijn gebracht, waarin hij, als hij daartoe weerstand had kunnen bieden, niet terecht zou zijn gekomen. Daarbij doet het niet ter zake dat de dwang op een ander in het algemeen geen indruk zou maken. Het is subjectief.
Het dwangmiddel ‘misleiding’ heeft op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad feitelijke betekenis. Het hof gaat er bij dit dwangmiddel vanuit dat er doelbewust een foute voorstelling van zaken wordt gegeven, iemand wordt overtuigd van iets dat niet waar is, waardoor iemand iets gaat doen dat hij anders niet zou hebben gedaan. Ook dit dwangmiddel is subjectief.
Ook de misbruikdwangmiddelen, te weten ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’ hebben feitelijke betekenis. Deze dwangmiddelen, die objectief moeten worden vastgesteld, kunnen elkaar deels overlappen. Deze misbruikdwangmiddelen kunnen veelal uit de omstandigheden worden afgeleid. De verdachte moet zich wel bewust zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeide of verondersteld wordt voort te hebben gevloeid, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. Niet is vereist dat doelbewust misbruik is gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.
Het is daarbij niet een zelfstandig vereiste dat het initiatief van de verdachte is uitgegaan en ook niet dat het slachtoffer door de verdachte in een uitbuitingssituatie is gebracht. De omstandigheid dat een slachtoffer tevoren al op een of meer andere plaatsen in de prostitutie had gewerkt, behoeft geen aanwijzing te zijn voor vrijwilligheid en het ontbreken van een uitbuitingssituatie.
Indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen van een van deze twee misbruikdwangmiddelen dient het feitelijk bewezenverklaarde hieraan invulling te geven. Bij het misbruik maken van (1) een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht is er sprake van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer is beperkt. Daarbij merkt het hof op dat ‘beperkt’ niet inhoudt dat er sprake moet zijn van een zodanige dwang of druk dat voor het slachtoffer geen andere keuze meer mogelijk was; de beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter van prostitutie aan te nemen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij prostituees stelt dat hiervan sprake is als zij verkeren of komen te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Het criterium ‘de gemiddelde mondige prostituee in Nederland’ omvat in ieder geval dat zij zelf bepaalt waar, wanneer, met wie, onder welke omstandigheden en tegen welke opbrengsten zij werkt. Ten aanzien van het misbruik maken van (2) een anders ‘kwetsbare positie’ geeft artikel 273f, zesde lid, Sr een minimumdefinitie van dit begrip: hieronder wordt mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Aangenomen kan worden dat de ‘misbruiker’ de ander (het latere slachtoffer) in die positie aantreft zonder dat beiden in een relatie tot elkaar staan. Zoals gezegd kan dit middel ook overlappen met het misbruik uit overwicht.
Oogmerk van uitbuiting
Zoals gezegd zijn de handelingen omschreven in sub 1 slechts strafbaar als deze zijn gefaciliteerd door een dwangmiddel én als zij zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. Het oogmerk veronderstelt een noodzakelijkheidsbewustzijn. Voorwaardelijk opzet volstaat niet. Ook dit bestanddeel van het wetsartikel heeft feitelijke betekenis en hoeft in de tenlastelegging niet nader te worden omschreven. Het oogmerk van uitbuiting kan worden afgeleid uit bijvoorbeeld verklaringen. Echter, bij afwezigheid van verklaringen kan het oogmerk van uitbuiting ook veelal worden afgeleid uit de omstandigheden. Het tweede lid van artikel 273 f Sr geeft een niet-limitatieve opsomming van wat de term ‘uitbuiting’ omvat. Voor zover in deze zaak relevant staat daar in ieder geval de uitbuiting van een ander in de prostitutie.
Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die moeten worden beschouwd en is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van die vraag zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de ‘tewerksteller’ wordt behaald.
Het hof gaat er hierbij vanuit dat deze factoren niet cumulatief zijn. Immers: de strafbaarstelling van sub 1 ziet – hoewel bewezenverklaring tot een voltooid delict leidt – in feite op het voorbereidingsdelict voorafgaand aan de daadwerkelijke uitbuiting; sommige elementen kun je dan nog niet zien en gebruiken om uitbuiting in de zin van sub 1 vast te stellen. Er kan dan wel worden gekeken naar bijvoorbeeld de modus operandi, huisvesting en afspraken.
Tot slot overweegt het hof ten aanzien van het oogmerk tot uitbuiting dat voor de vervulling van de delictsomschrijving het niet nodig is dat de ander daadwerkelijk wordt uitgebuit; het oogmerk volstaat. Dat een betrokkene uiteindelijk niet het beoogde werk heeft verricht, staat aan de invulling van de delictsomschrijving niet in de weg.
Uitgangspunt voor het hof is in ieder geval dat, zodra er sprake is van een dwangmiddel, de eventuele vrijwilligheid van het slachtoffer niet meer ter zake doet. Ook het gegeven dat een slachtoffer op enig moment toch ‘vrij’ was om te stoppen met het prostitutiewerk en zich mitsdien aan de uitbuitingssituatie heeft onttrokken, doet in zijn algemeenheid niet af aan het gegeven dat er (voordien) wel sprake is (geweest) van een dwangmiddel. Immers, aan het ‘laten gaan’ van een prostituee kunnen meerdere redenen ten grondslag liggen, waaronder ook opportunistische redenen, bezien vanuit het oogpunt van de dader. Zo kan ook niet in zijn algemeenheid worden gezegd dat indien er een mogelijkheid was voor het slachtoffer zich aan de uitbuitingsituatie te onttrekken, maar zij dit desalniettemin niet heeft gedaan, er dan dus geen sprake kan zijn van een uitbuitingssituatie.
Sub 4
Sub 4 ziet op de daadwerkelijk uitbuiting. De uitbuitingsgedragingen – voor zover in deze zaak relevant – hebben het oog op het doen werken in de prostitutie. Het gaat er hierbij om een ander met een dwangmiddel (dezelfde als genoemd in sub 1) te dwingen of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerk of onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling te ondernemen waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degene die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van subonderdeel 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Het onderscheid met betrekking tot de dwangmiddelen in sub 1 en sub 4 zit in het gegeven dat in sub 1 het dwangmiddel ziet op de handeling werven, vervoeren, etc., terwijl in sub 4 het dwangmiddel direct is gelinkt aan het laten werken. Het ‘zich beschikbaar stellen’ is daarbij voldoende, wat betekent dat er ook hier niet daadwerkelijk gewerkt hoeft te zijn om tot een voltooid delict te komen.
Sub 6
Strafbaar op grond van sub 6 is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. Het opzet dient gericht te zijn op zowel het voordeel trekken als de uitbuiting van een ander. De profijttrekker kan, maar hoeft niet, een ander te zijn dan degene die de uitbuitingssituatie heeft gecreëerd. Een dwangmiddel is hier niet nodig.
Sub 9
Op grond van sub 9 is degene strafbaar die een ander met een van de onder sub 1 genoemde dwangmiddelen dwingt dan wel beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van diens seksuele handelingen met of voor een derde. Dit subonderdeel is erop gericht op te kunnen treden tegen de situatie dat een prostituee wordt gedwongen tot afgifte van (een deel van) haar opbrengsten van seksuele handelingen. Uitbuiting moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 9°, Sr, nu de in die bepaling bedoelde gedragingen eerst dan als ‘mensenhandel’ kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat is voldaan aan de voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.

Ten aanzien van feit 2: mensenhandel [slachtoffer 2]

Vaststelling feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen – samengevat – de volgende feiten en omstandigheden vast.
[slachtoffer 2] is sinds haar 16e werkzaam in de prostitutie. Zij heeft [medeverdachte 1] via Facebook leren kennen en is op hem verliefd geworden. [medeverdachte 1] heeft haar klantencontacten en haar chauffeurs geregeld. [medeverdachte 1] bepaalde haar werkadressen en haar werktijden, regelde haar klanten en onderhield de contacten met hen. Het was ook [medeverdachte 1] die bepaalde wat [slachtoffer 2] moest doen met betrekking tot de seksuele handelingen en wat ze tegen haar seksklanten moest zeggen. [slachtoffer 2] moest daarbij een groot deel van haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden afstaan aan [medeverdachte 1] . [slachtoffer 2] had zelf geen rijbewijs en was voor haar vervoer naar haar klanten afhankelijk van chauffeurs (de verdachte en medeverdachten). Op verzoek van [medeverdachte 1] vervoerden zij [slachtoffer 2] naar seksafspraken die [slachtoffer 2] tegen betaling met derden had. De verdachte en zijn medeverdachten werden voor deze werkzaamheden betaald uit de prostitutieopbrengsten van [slachtoffer 2] .
Ten aanzien van de persoon van [slachtoffer 2] stelt het hof vast dat [slachtoffer 2] uit België komt en in Nederland verbleef, waar zij een klein sociaal netwerk had. [slachtoffer 2] was dakloos en verkeerde in slechte financiële omstandigheden. Ze was verstoken van haar familie en was voor haar huisvesting en tewerkstelling afhankelijk van [medeverdachte 1] . [slachtoffer 2] had geen rijbewijs en was voor haar vervoer afhankelijk van chauffeurs. Ze lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, was verslaafd aan cocaïne en kende een verleden met seksueel misbruik. [slachtoffer 2] heeft een dochter die bij haar ex-partner verbleef. Ze wilde samen met [medeverdachte 1] en haar dochtertje een toekomst opbouwen. De verdachte wist dat [slachtoffer 2] zonder [medeverdachte 1] niet over onderdak in Nederland beschikte.
Toegespitst op deze zaak
Het hof dient in de onderhavige zaak te beoordelen of de verdachte (al dan niet samen met een ander of anderen) zich ten opzichte van [slachtoffer 2] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de zin van artikel 273f, sub 1, 4, 6 en 9 van het eerste lid.
Dwangmiddelen
Het hof zal eerst beoordelen of, en zo ja van welke, dwangmiddelen de verdachte zich al dan niet in vereniging met een ander of anderen heeft bediend.

Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht
In de onderhavige zaak is van deze situatie sprake geweest. [slachtoffer 2] had een klein sociaal netwerk en was verstoken van familie, was dakloos en verkeerde in slechte financiële omstandigheden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2] voor haar huisvesting en tewerkstelling afhankelijk was van [medeverdachte 1] en later – toen [medeverdachte 1] preventief gedetineerd zat – van met name medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Ze had geen rijbewijs en was ook voor haar vervoer afhankelijk van [medeverdachte 1] en de medeverdachten. Haar geld en de werktelefoon werden afgepakt en daarmee werd zij in een afhankelijke positie gehouden. In dat kader wijst het hof op het WhatsAppgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 4] , waarin [medeverdachte 4] de verdachte instrueert dat hij de telefoons niet aan [slachtoffer 2] mag geven, dat hij ze alle twee bij zich moet houden omdat het zijn ( [medeverdachte 4] ’s) verantwoordelijkheid is. De verdachte heeft daarop gereageerd met:
‘ja dacht ik ook al, heb afgepakt’. Daarnaast wijst het hof naar een WhatsAppgesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] van 2 september 2019 waarin zij met elkaar bespreken dat de verdachte
‘droog staat’en dat
‘hij wel kan gaan’. De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat dit gesprek ging over [slachtoffer 2] . Het hof leidt uit dit gesprek af dat de verdachte door [medeverdachte 1] is aangeboden om met [slachtoffer 2] seks te hebben.
Een tweede omstandigheid was dat [slachtoffer 2] zodanig verliefd was op [medeverdachte 1] (zij zag hem als een God), dat zij ook daardoor kennelijk bereid was naar zijn uitdrukkelijke wens te (blijven) werken in de prostitutie, het door haar verdiende geld aan hem en zijn medeverdachten, onder wie de verdachte, af te staan en door hen te laten beheren.
Door aldus te handelen heeft de verdachte in vereniging met anderen [slachtoffer 2] in haar vrijheid beperkt. Hieruit volgt dat [slachtoffer 2] in een situatie verkeerde die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee pleegt te verkeren in Nederland; dat zij niet zelfstandig kon bepalen of en wanneer en voor wie zij werkte en niet de beschikking kreeg over haar inkomsten.

Misbruik van een kwetsbare positie
Ook hiervan is naar het oordeel van het hof sprake geweest. [slachtoffer 2] was verliefd op [medeverdachte 1] . Ze wilde samen met hem en haar dochtertje een toekomst opbouwen. [medeverdachte 1] wist dat [slachtoffer 2] zich niet over haar dochtertje kon ontfermen, omdat zij was toegewezen aan en verbleef bij haar ex-partner. De omstandigheden dat ze lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis, verslaafd was aan cocaïne, een verleden met seksueel misbruik kende en – zonder [medeverdachte 1] – niet over een eigen woonruimte beschikte, maar (in de tijd dat [medeverdachte 1] preventief gedetineerd was) bij medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in [plaats] heeft ingewoond, dragen bij aan het oordeel dat [slachtoffer 2] zich in een kwetsbare positie bevond ten aanzien van [medeverdachte 1] , de verdachte en zijn medeverdachten.
De verdachte wist dat [slachtoffer 2] – zonder [medeverdachte 1] – in Nederland geen onderdak had. De verdachte omschreef [slachtoffer 2] bovendien als
‘niet de slimste’. Ook een aantal van de medeverdachten waren van de kwetsbare positie van [slachtoffer 2] op de hoogte. Ze wisten dat [slachtoffer 2] uit België kwam, dat ze niemand had en dat ze in Nederland afhankelijk was van [medeverdachte 1] voor het hebben van onderdak. Ook waren ze van haar drugsverslaving op de hoogte.
Oogmerk van uitbuiting
Mensenhandel is gericht op uitbuiting. Het enkele aanwenden van dwangmiddelen levert echter niet reeds uitbuiting op, maar het oogmerk van uitbuiting brengt met zich dat sprake moet zijn van een (voorgenomen) ernstige inbreuk op de lichamelijke en/of geestelijke en/of de persoonlijke vrijheid.
Het hof overweegt in dat kader dat [slachtoffer 2] een groot deel van haar verdiensten uit haar prostitutiewerkzaamheden moest afstaan aan [medeverdachte 1] . Hij zei dat hij het geld voor haar zou bewaren, maar hij hield het grotendeels zelf. [medeverdachte 1] bepaalde tevens dat [slachtoffer 2] haar contante verdiensten moest afgeven aan de medeverdachten die haar op dat moment naar de werkplekken hadden vervoerd en bepaalde dat deze “chauffeurs”, waaronder de verdachte, uit haar verdiensten werden betaald. [medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij er geld aan wilde verdienen. Hij zag de werkzaamheden van [slachtoffer 2] als zijn “brood” en daarover wilde hij geen controle verliezen (
‘ik maak me eigen brood kapot als ik controle niet houd’). Zelfs op het moment dat [medeverdachte 1] preventief gedetineerd was, stuurde hij [slachtoffer 2] nog aan.
Het oogmerk van de verdachte en een deel van zijn medeverdachten was ook gericht op de uitbuiting van [slachtoffer 2] . De meeste chauffeurs waren vrienden van [medeverdachte 1] . Allen vervoerden [slachtoffer 2] in opdracht van [medeverdachte 1] naar de seksklanten, inden vervolgens de contante opbrengsten uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 2] en/of stuurden betaalverzoeken aan de klanten en ontvingen de gelden op hun bankrekeningen, en gaven deze bedragen vervolgens af aan [medeverdachte 1] . [slachtoffer 2] werd daarbij in feite volledig buiten de betalingen gehouden. Deze werkwijze levert naar het oordeel van het hof een situatie van uitbuiting op. [slachtoffer 2] , die verkeerde in een afhankelijke en kwetsbare positie, in haar keuzevrijheid met betrekking tot haar werktijden, de hoeveelheid klanten, de aard van de prostitutiewerkzaamheden en haar inkomsten werd beperkt door [medeverdachte 1] en de medeverdachten. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich bezig heeft gehouden met het vervoer van [slachtoffer 2] naar seksklanten en het afpakken van haar inkomsten. Dat ook de verdachte erop uit was om (veel) geld te verdienen met het in de prostitutie brengen en houden van [slachtoffer 2] volgt naar het oordeel van het hof bijvoorbeeld uit de apps die de verdachte met [medeverdachte 1] wisselde en waarin de verdachte een foto van een vrouw aan [medeverdachte 1] stuurt, aangeeft dat zij een studie apart is, dat hij er na zijn toetsen een project van gaat maken, dat zij geld wil verdienen en dat zij lekker is. [medeverdachte 1] reageert door te zeggen:
‘ben je haar aan het paaien, pooier [verdachte] ’. De verdachte zegt dan tegen [medeverdachte 1] :
‘na mijn toetsen gaan we alles doordenken en kijken naar alle mogelijkheden broeder’.
Tegen de achtergrond van het geschetste juridisch kader acht het hof bewezen dat de verdachte samen met anderen gebruik heeft gemaakt van de volgende in sub 1 genoemde dwangmiddelen: misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie en dat hij deze dwangmiddelen instrumenteel heeft ingezet om [slachtoffer 2] te bewegen zich beschikbaar te stellen en/of te houden voor seksuele handelingen met anderen tegen betaling (sub 4). Door inzet van een van deze dwangmiddelen heeft hij [slachtoffer 2] vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, een en ander met het oogmerk van uitbuiting (sub 1).
Opzettelijk voordeel trekken
De verdachte heeft voorts met anderen opzettelijk voordeel genoten uit de inkomsten die door [slachtoffer 2] met haar prostitutiewerkzaamheden werden verdiend. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met anderen opzettelijk voordeel trok uit die seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] . Daarmee is naar het oordeel ook het tenlastegelegde sub 6 bewezen.
Door dwangmiddelen bewegen te bevoordelen uit de opbrengst
Het voorgaande geldt evenzeer voor de laatste vraag die het hof dient te beantwoorden: heeft de verdachte samen met anderen door de inzet van voornoemde dwangmiddelen [slachtoffer 2] bewogen hem (en anderen) te bevoordelen uit de opbrengst van haar prostitutiewerkzaamheden (sub 9)? Het hof beantwoordt deze vraag op grond van de bewijsmiddelen bevestigend.
Medeplegen
Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof onder meer het volgende af. [medeverdachte 1] stuurde al dan niet samen met [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] , de verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] aan, in die zin dat hij, veelal in samenspraak met hen, bepaalde op welke momenten zij [slachtoffer 2] naar haar prostitutiewerkzaamheden moesten vervoeren. De verdachte en sommige van zijn medeverdachten hadden soms overleg met [medeverdachte 1] over de wijze waarop [slachtoffer 2] moest werken. Mede op zijn aanwijzingen inden zij de contante opbrengsten van [slachtoffer 2] en hielden zij deze inkomsten bij zich. Ten slotte stelden zij hun bankrekeningen ter beschikking en ontvingen daarop met regelmaat betalingen van seksklanten van [slachtoffer 2] via al dan niet door hen of [medeverdachte 1] verstuurde betaalverzoeken (“Tikkies”). Zij werden op hun beurt voor hun werkzaamheden door [medeverdachte 1] betaald uit de prostitutieopbrengsten. Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat de verdachte verschillende malen “credits” heeft gekocht ten behoeve van het “omhoog plaatsen” van de seksadvertentie van [slachtoffer 2] .
Ook [medeverdachte 2] heeft een rol gespeeld bij het in de prostitutie houden van [slachtoffer 2] . In de periode waarin [medeverdachte 1] voortvluchtig en preventief gedetineerd was, heeft zij samen met [medeverdachte 3] , [slachtoffer 2] in huis genomen. Vanaf dat moment was haar aandeel bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 2] substantieel. Naar het oordeel van het hof volgt uit de bewijsmiddelen dat [medeverdachte 2] een doorgeefluik van [medeverdachte 1] was, zoals zij haar handelen zelf treffend heeft omschreven. Ze vroeg regelmatig aan [medeverdachte 1] hoe het met “zoon” was, met wie ze [slachtoffer 2] bedoelde. In een door [medeverdachte 2] geschreven notitie, die op haar in beslag genomen telefoon is aangetroffen, volgt dat “ [bijnaam 1] ” (volgens het dossier werd hiermee [medeverdachte 5] bedoeld, maar naar het oordeel van het hof wordt waarschijnlijk verwezen naar [medeverdachte 3] , nu het hof ambtshalve bekend is dat “ [bijnaam 1] ” ook “broer” kan betekenen) en “ [bijnaam 2] ” (de verdachte) in afwezigheid van [medeverdachte 1] moesten doorgaan met het houden van [slachtoffer 2] in de prostitutie. Weliswaar heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ontkend dat “ [bijnaam 2] ” zijn bijnaam was maar uit het door de politie verrichte onderzoek is afdoende gebleken dat de verdachte wel degelijk de persoon is die “ [bijnaam 2] ” wordt genoemd.
De hiervoor beschreven handelingen waren er allemaal op gericht [slachtoffer 2] in de prostitutie te laten werken en haar aan het werk te houden. Het hof leidt uit het voorgaande af dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , de verdachte en [medeverdachte 4] een gezamenlijk plan hadden om [slachtoffer 2] in de prostitutie te laten werken en zichzelf uit de opbrengsten daarvan te bevoordelen. Allen hebben – waaronder ook medeverdachte [medeverdachte 5] – opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 2] . Dat het aannemelijk is dat het voordeel dat [medeverdachte 1] genoot uit de uitbuiting van [slachtoffer 2] groter was dan het door de anderen, waaronder de verdachte, genoten voordeel, doet aan het voorgaande niets af.
Ze vervulden aldus ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende en essentiële rol bij het tot stand brengen en/of in stand houden van de uitbuitingssituatie van [slachtoffer 2] . Op basis van de hiervoor geformuleerde uitgangspunten, en met inachtneming van al hetgeen het hof hiervoor in dit kader heeft overwogen, komt het hof tot de slotsom dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , de verdachte en [medeverdachte 4] (en ten aanzien van het opzettelijk voordeel trekken ook [medeverdachte 5] ) in een zodanige mate aan de uitbuitingssituatie hebben bijgedragen, dat van een bewuste en nauwe samenwerking – in de zin van medeplegen – sprake is.

Ten aanzien van feit 3: medeplegen van eenvoudig witwassen

Zoals hiervoor is vastgesteld en uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, heeft de verdachte zich in vereniging schuldig gemaakt aan mensenhandel, onder meer door [slachtoffer 2] te bewegen hem en anderen te bevoordelen uit de opbrengsten van haar seksuele handelingen en voordeel te trekken uit haar uitbuiting. De verdachte en zijn medeverdachten beschikten als gevolg van de uitbuiting van [slachtoffer 2] derhalve over onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige geldbedragen.
Naar het oordeel van het hof kan op grond van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, dan ook worden bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen, terwijl hij wist dat deze onmiddellijk afkomstig waren uit enig eigen misdrijf.
Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt derhalve in alle onderdelen verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder feit 2 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:
mensenhandel, terwijl het in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het onder feit 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

medeplegen van eenvoudig witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straffen
De vordering van de advocaat-generaalDe advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest gevorderd. De advocaat-generaal heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om de op te leggen straf aanzienlijk te matigen en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarbij heeft de raadsman verwezen naar het nagenoeg blanco strafblad van de verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van het hof
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel waarbij [slachtoffer 2] in de prostitutie werd gehouden. [slachtoffer 2] werd gecontroleerd en had weinig zeggenschap over haar prostitutiewerkzaamheden. Zij moest een groot aantal uren per dag en een aantal dagen per week werken en seksuele handelingen ondergaan en verrichten. Daarnaast moest zij haar inkomsten grotendeels afstaan en kon zij nauwelijks over het door haar verdiende geld uit de prostitutiewerkzaamheden beschikken. [slachtoffer 2] was van een medeverdachte afhankelijk van onder andere onderdak en de verdachte was hiervan op de hoogte. De verdachte heeft aan deze seksuele uitbuiting bijgedragen door seksafspraken te regelen, seksadvertenties omhoog te plaatsen, haar te vervoeren naar seksafspraken en de opbrengsten bij te houden en in ontvangst te nemen en daarvoor betaalverzoeken te versturen. De verdachte heeft zich hierbij niet bekommerd om de inbreuken op de psychische en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van het slachtoffer en heeft meegedraaid in een samenwerkingsverband dat enkel was gericht op financieel gewin, ten koste van het slachtoffer. Hij heeft daarbij onder meer op kwalijke wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.
Daarnaast is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van eenvoudig witwassen van de uit de mensenhandel verkregen opbrengsten. Witwassen leidt tot ontwrichting van het financiële en economische verkeer, omdat daarbij de criminele herkomst van gelden aan het zicht wordt onttrokken.
Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft kennis genomen van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 januari 2025, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Het hof heeft tevens kennis genomen van het reclasseringsadvies betreffende de verdachte d.d. 11 juni 2021. Uit dit rapport volgt dat de verdachte zijn leven destijds naar de maatschappelijk geaccepteerde normen lijkt in te vullen en op de leefgebieden geen problemen naar voren komen. Er is geen sprake van (problematisch) middelengebruik. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Het hof heeft ook acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Uitgangspunt van de oriëntatiepunten ten aanzien van mensenhandel in het geval van seksuele uitbuiting, is dat hoe groter de inbreuk is op de autonomie en grondrechten van de slachtoffers, hoe zwaarder de straf dient te zijn. In verband daarmee worden verschillende categorieën onderscheiden, waarbij categorie III staat voor de zwaarste gevallen. Het hof gaat in de onderhavige zaak uit van categorie I.
Het hof betrekt bij de strafoplegging ook voor welke onderdelen van artikel 273f, eerste lid, Sr de verdachte wordt veroordeeld. Tevens neemt het hof in aanmerking dat verdachte de feiten in vereniging heeft gepleegd, hetgeen strafverhogend werkt.
Het hof houdt bij de oplegging van de straf tot slot rekening met het taakstrafverbod, de ouderdom van de zaak in combinatie met de leeftijd van de verdachte, de huidige persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.
In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. De verdachte heeft immers op 24 december 2021 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof heden op 22 mei 2025 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn is met ruim 17 maanden overschreden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen is het hof niet gebleken en de overschrijding valt niet geheel aan de verdachte toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de straftoemeting, in die zin dat het hof een straf zal opleggen die ervoor zorgt dat de verdachte in beginsel niet terug naar de gevangenis moet.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 268 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, alsmede een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis passend en geboden. In deze straffen en strafmodaliteiten heeft het hof tevens de ouderdom van de zaak en verdachtes huidige persoonlijke omstandigheden verdisconteerd. Met oplegging van deze deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarnaast hoeft de verdachte met oplegging van deze straf in beginsel niet terug naar de gevangenis. De verdachte krijgt hiermee de kans om zijn positieve ontwikkelingen voort te zetten, zich verre te houden van strafbare feiten en een stabiele toekomst op te bouwen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 273f en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het onder feit 2 en feit 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
270 (tweehonderdzeventig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
268 (tweehonderdachtenzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
90 (negentig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. A.C. Bosch, voorzitter,
mr. G.J. Schiffers en mr. L. Feraaune, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen en mr. L.C.J.M. Hillebrandt, griffiers,
en op 22 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. G.J. Schiffers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.