ECLI:NL:GHSHE:2025:1326

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 april 2025
Publicatiedatum
15 mei 2025
Zaaknummer
000951-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArtikel 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing schadevergoeding na niet-ontvankelijkverklaring wegens ne bis in idem

Appellant verzocht om een schadevergoeding voor de periode van inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis en vrijheidsbeperkende maatregelen tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis, in totaal €6.370,-. De voorlopige hechtenis was geschorst vanaf 23 december 2016, waarbij onder meer het paspoort gedurende 200 dagen in beslag was genomen, wat volgens appellant zijn beroepsuitoefening ernstig beperkte.

De rechtbank wees het verzoek af omdat de officier van justitie niet-ontvankelijk was verklaard in de vervolging wegens het ne bis in idem-beginsel en het vonnis onherroepelijk was. Bovendien was appellant in België onherroepelijk veroordeeld, wat volgens de rechtbank een redelijke grond voor verdenking en vervolging in Nederland bood.

Het hof stelde vast dat het vonnis van 9 september 2021 waarin de OvJ niet-ontvankelijk werd verklaard onherroepelijk is, en dat geen hoger beroep daartegen is ingesteld. Het hof kon daarom niet in deze beslissing treden. Het hof bevestigde de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding en vond dat het niet billijk was een vergoeding toe te kennen.

De beslissing werd genomen na behandeling in raadkamer op 9 januari en 20 maart 2025, waarbij ook de advocaat-generaal het standpunt handhaafde. Het vonnis werd uitgesproken op 17 april 2025 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: Het hof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding wegens het onherroepelijk niet-ontvankelijk verklaren van de vervolging op grond van het ne bis in idem-beginsel.

Uitspraak

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Raadkamer

Bijzondere zaak, nummer: 000951-24
Raadkamernummer eerste aanleg: 21-019538
Beschikking in hoger beroep op verzoek schadevergoeding ex artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering
Beschikking op het hoger beroep, ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 24 mei 2024, geven op het verzoek van:

[appellant] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
te dezer zake woonplaats kiezende ten kantore van
[raadsman] .
Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van de ondergane inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis en de vrijheidsbeperkende maatregelen die zijn opgelegd gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hoger beroep

De verzoeker – thans appellant – heeft tegen voornoemde beschikking tijdig hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Het hoger beroep is op 9 januari 2025 en 20 maart 2025 door de raadkamer van dit hof in het openbaar behandeld.
Appellant is, tezamen zijn raadsman, [raadsman] , ter zitting in raadkamer verschenen.
Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal van 25 november 2024 en van hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht door appellant, zijn raadsman en de advocaat-generaal.
De schriftelijke conclusie van de advocaat-generaal strekt primair tot bevestiging van de bestreden beschikking en verwerping van het hoger beroep en subsidiair tot vernietiging van de bestreden beschikking en afwijzing van de verzochte vergoeding, wegens het ontbreken van gronden van billijkheid, conform het standpunt van het Openbaar Ministerie d.d. 10 januari 2022 in eerste aanleg. Ter zitting in raadkamer heeft de advocaat-generaal voornoemd standpunt gehandhaafd.

De beoordeling

Appellant heeft een immateriële schadevergoeding verzocht voor de schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van de ondergane inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis en de vrijheidsbeperkende maatregelen die zijn opgelegd gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Appellant verzoekt een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van € 390,- voor de ondergane inverzekeringstelling, een schadevergoeding ter hoogte van € 4.600,- toe te kennen voor de periode die appellant in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een schadevergoeding toe te kennen ter hoogte van € 1.380,- voor de periode die appellant in beperkingen heeft doorgebracht. In totaal verzoekt appellant om een schadevergoeding toe te kennen voor de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis ter hoogte van
€ 6.370,-.
Appellant heeft daarnaast verzocht om een vergoeding toe te kennen voor de periode dat er vrijheidsbeperkende maatregelen zijn opgelegd gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis. De voorlopige hechtenis van appellant is geschorst met ingang van 23 december 2016. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is het paspoort van appellant in beslag genomen in het kader van de opgelegde schorsingsvoorwaarden. Appellant stelt dat zijn vrijheid in ernstige mate is beperkt ten gevolge van het in beslag nemen en houden van het paspoort. In het verzoekschrift wordt gesteld dat appellant niet naar het buitenland mocht afreizen, terwijl het voor hem in de uitoefening van zijn beroep in veel gevallen noodzakelijk was om dat te doen. Blijkens het inleidende verzoekschrift is het paspoort gedurende 200 dagen in beslag genomen. De rechtbank heeft de schorsingsvoorwaarde, die betrekking had op het paspoort, d.d. 11 juli 2017 opgeheven.
Daarnaast stelt appellant dat de voorlopige hechtenis, na de opheffing van de schorsingsvoorwaarden met betrekking tot de inbeslagname van het paspoort, voor een periode van 1.721 dagen heeft voortgeduurd. In het verzoekschrift wordt aangevoerd dat appellant in deze periode niet in voorlopige hechtenis heeft gezeten, maar dat de voorlopige hechtenis gedurende deze periode niet is opgeheven, dientengevolge schorsingsvoorwaarden van toepassing waren. Namens appellant wordt in het inleidende verzoekschrift naar voren gebracht dat zijn ondernemingen het zwaar te verduren hebben gehad, omdat hij bij veel werkzaamheden de enige aangewezen persoon was om de werkzaamheden te verrichten maar hij in zijn vrijheid was beperkt. Appellant stelt dat hij de schorsing heeft ervaren als vrijheidsberoving in de zin van artikel 5 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellant stelt dat hij enorme stress heeft ervaren gedurende een periode van bijna 5 jaren ten gevolge van de voorlopige hechtenis en de daarbij geldende schorsingsvoorwaarden.
Ter zitting in raadkamer bij de rechtbank d.d. 26 april 2024 heeft de raadsman de verzochte vergoeding voor de 200 dagen gedurende welke dagen het paspoort in beslag is genomen ten gevolge van de schorsingsvoorwaarden, gesteld op een bedrag ter hoogte van € 13.000,- (200 dagen tegen een vergoeding ter hoogte van € 65,- per dag). Het is het hof overigens niet gebleken dat de raadsman tevens een vergoeding heeft vastgesteld voor de schade in de periode na de opheffing van de inbeslagname van het paspoort, nu in het verzoekschrift geen verzochte vergoeding is opgenomen en dit evenmin ter zitting in raadkamer bij de rechtbank ter sprake is gekomen.
Bij beschikking, waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant onder parketnummer 02-993003-18 was gedagvaard voor valsheid in geschrifte en voor overtredingen van de Wet op de accijns en de Algemene Douanewet. De rechtbank stelt vast dat deze feiten tezamen één zaak vormden als bedoeld in artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vervolging in het onherroepelijke vonnis d.d. 9 september 2021. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat appellante [bedrijf] d.d. 16 juni 2022 ook in België in hoger beroep veroordeeld. In hoger beroep en in eerste aanleg is overwogen dat appellant – de vertegenwoordiger van appellante [bedrijf] – een laptop in bezit had met een account op naam van [naam] . Dit account bevatte belastende informatie over de verweten feiten. Appellant heeft ter zitting van het Hof van beroep bevestigd dat hij deze laptop achter een archiefkast heeft verstopt toen de ambtenaren van de FIOD het bedrijf begonnen te doorzoeken. [naam] zou de opdrachtgever voor de accijnsfraude zijn geweest. De rechtbank van eerste aanleg en het Hof van Beroep hebben geoordeeld dat appellant degene was die zich heeft voorgedaan als de fictieve [naam] . De rechtbank overweegt dat uit de Belgische veroordelingen volgt dat er een redelijke grond was voor de verdenking en vervolging van appellante [bedrijf] in Nederland. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat appellante [bedrijf] alle kosten waarvoor vergoeding wordt gevraagd aan zichzelf te wijten heeft en het niet billijk is om enige vergoeding toe te kennen. De rechtbank stelt dat het feit dat de veroordelingen in België nog niet onherroepelijk zijn, daar niet aan afdoet.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt allereerst vast dat appellant inmiddels onherroepelijk is veroordeeld in België. Het Hof van Cassatie in België heeft het ingestelde cassatieberoep immers verworpen bij arrest van 3 december 2024.
Het hof stelt daarnaast vast dat de Nederlandse strafzaak tegen appellant bij vonnis d.d. 9 september 2021 is geëindigd met niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging, in verband met het ne bis in idem-beginsel. Tegen voornoemd vonnis is geen hoger beroep ingesteld, noch door de gewezen verdachte, noch door het Openbaar Ministerie. Het vonnis is daarmee onherroepelijk.
Aan het verzoek tot schadevergoeding ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering is door de raadsman ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van het ne bis in idem-beginsel. Het hof is van oordeel dat de raadsman daarmee uit het oog verliest dat het oordeel van de rechtbank d.d. 9 september 2021, waartegen geen hoger beroep is ingesteld, onherroepelijk is. Het hof kan dan ook niet in die beslissing treden. De basis van het verzoek ex artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering ontvalt daarmee.
Het hof is derhalve met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat er, gelet op hetgeen hiervoor overwogen, in redelijkheid geen vergoeding kan worden toegekend.
Het hof kan zich, onder aanvulling van gronden, vinden in de bestreden beslissing en de gronden waarop deze berust. Het hof zal de bestreden beslissing derhalve bevestigen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt de beslissing waarvan beroep onder aanvulling van gronden.

Aldus beslist door mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,
mr. K.J. van Dijk en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,
in tegenwoordigheid van M.J.M. van de Pol en T.A.H. van der Wijst, griffiers,
en uitgesproken ter openbare raadkamer van dit gerechtshof van 17 april 2025.