Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:1260

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
200.348.641_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 lid 1 RvArt. 125 lid 2 RvArt. 125 lid 5 RvArt. 353 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verval van aanhangigheid hoger beroep door niet tijdig aanbrengen zaak bij griffie

In deze civiele procedure heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 6 mei 2025 uitspraak gedaan over een incident betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid van appellante in haar hoger beroep. Appellante had het hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Limburg van 20 maart 2024.

De kern van het geschil betrof het niet tijdig aanbrengen van de zaak bij de griffie van het hof op de in de dagvaarding en herstelexploten aangezegde roldata. Hoewel appellante binnen de wettelijke termijn van twee weken na de eerste roldatum een herstelexploot heeft uitgebracht, werd de zaak wederom niet tijdig bij de griffie ingediend. Een tweede herstelexploot werd wel tijdig uitgebracht, maar niet binnen de termijn van twee weken na de oorspronkelijke dagvaarding, waardoor dit ook niet geldig was.

Appellante voerde aan dat de vertraging te wijten was aan de gevolgen van een zware mishandeling van haar advocaat, maar het hof oordeelde dat deze stelling onvoldoende was onderbouwd en niet leidde tot een uitzondering op de strikte termijnen. Het hof verklaarde daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde appellante in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig aanbrengen van de zaak bij de griffie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.348.641/01
arrest van 6 mei 2025
gewezen in het incident houdende de exceptie tot niet-ontvankelijkheid in de zaak van
[appellante],
gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. R.G.J.M. Onderdonck te Eindhoven,
tegen
Gemeente Weert,
zetelende te Weert,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. L.G.H. Wichern te Arnhem,
op het bij exploot van dagvaarding van 19 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 maart 2024, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen appellante – [appellante] – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en geïntimeerde – de gemeente – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/314807/ HA ZA 23-92)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • het inschrijvingsherstelexploot van 19 augustus 2024;
  • het inschrijvingsherstelexploot van 7 oktober 2024:
  • de incidentele conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van de zijde van de gemeente met producties, genummerd 1 tot en met 6;
  • de antwoordconclusie in het incident van de zijde van [appellante], met één productie.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De beoordeling

In het incident
3.1.
De gemeente vordert bij incident opgeworpen exceptie dat [appellante] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar hoger beroep, met veroordeling van [appellante] in de kosten, uitvoerbaar bij voorraad. De gemeente stelt daartoe dat [appellante] niet op de in de appeldagvaarding aangezegde datum de zaak heeft aangebracht bij dit hof. [appellante] heeft wel binnen de termijn ex artikel 125 lid 5 Rv Pro een herstelexploot uitgebracht, maar op de in dat exploot aangezegde datum is de zaak wederom niet bij het hof aangebracht. Daarmee is de aanhangigheid van de zaak komen te vervallen. Daarna heeft [appellante] opnieuw een herstelexploot laten uitbrengen, maar dat exploot is niet uitgebracht binnen de hoger beroepstermijn.
3.2.
[appellante] voert daartegen aan dat hetgeen de gemeente stelt juist is, maar dat bij [appellante] sprake is van een uitzonderingssituatie. Dat de dagvaarding en het eerste herstelexploot niet zijn aangebracht, ligt in het bijzonder aan de directe en indirecte gevolgen die de advocaat van [appellante] heeft ondervonden en ondervindt van een zware mishandeling die heeft plaatsgevonden op 13 januari 2024. Het tweede herstelexploot is wel tijdig aangebracht. Bovendien is de gemeente niet in haar belangen geschaad. [appellante] verzoekt het hof de gemeente in het incident niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar vorderingen in het incident te ontzeggen met veroordeling van de gemeente in de kosten van het incident, vermeerderd met de wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad.
3.3.
Bij de beoordeling gaat het hof uit van de volgende feiten.
a. a) Bij exploot van dagvaarding van 19 juni 2024 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 20 maart 2024. De gemeente is in dat exploot gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van dit hof op 6 augustus 2024. Deze appeldagvaarding is op de aangezegde roldatum niet aangebracht.
b) Op 19 augustus 2024 heeft [appellante] een herstelexploot laten uitbrengen waarbij de gemeente is opgeroepen alsnog te verschijnen ter terechtzitting van dit hof op 24 september 2024 in het geding dat aanhangig is gemaakt bij dagvaarding van 19 juni 2024, welke dagvaarding verder geheel is gehandhaafd. Dit inschrijvingsherstelexploot is niet bij het hof aangebracht.
c) Op 7 oktober 2024 heeft [appellante] nog een inschrijvingsherstelexploot aan de gemeente laten uitbrengen. [appellante] heeft de zaak op de daarin aangezegde roldatum van 17 december 2024 aangebracht.
3.4.
Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 125 lid 1 jo Pro. 353 lid 1 Rv is het geding in hoger beroep aanhangig vanaf de dag van de dagvaarding in hoger beroep. Op grond van artikel 125 lid 2 Rv Pro wordt het exploot van de dagvaarding door de appellant bij de griffie ingediend uiterlijk op de laatste dag waarop de griffie is geopend, voorafgaand aan de in de dagvaarding vermelde roldatum. Wanneer de dagvaarding niet op de aangezegde roldatum bij de griffie van het hof is ingeschreven, kan op grond van artikel 125 lid 5 Rv Pro herstel van dit verzuim plaatsvinden door binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum een geldig herstelexploot uit te brengen.
3.5.
Een geldig herstelexploot is een exploot waarbij geïntimeerde met handhaving van de oorspronkelijke dagvaarding en met inachtneming van de dagvaardingstermijn wordt opgeroepen tegen een nieuwe verschijndag. De appellant moet vervolgens de dagvaarding en het herstelexploot tijdig voor de nieuw aangezegde roldatum bij de griffie indienen. Wordt het herstelexploot niet tijdig ingeschreven in de zin van artikel 125 lid 2 Rv Pro dan mist het herstelexploot gevolg, wat ertoe leidt dat het geding zijn aanhangigheid verliest.
3.6.
Vaststaat dat de appeldagvaarding niet op de daarin aangezegde roldatum van 6 augustus 2024 bij de griffie van het gerechtshof is ingediend. [appellante] heeft dit verzuim geprobeerd te herstellen. Op 19 augustus 2024 en dus binnen de wettelijke termijn van twee weken heeft [appellante] de gemeente alsnog door middel van een (eerste) herstelexploot opgeroepen tegen de roldatum van 24 september 2024. Echter, ook op die roldatum zijn de appeldagvaarding en het herstelexploot niet door [appellante] bij de griffie van het gerechtshof ingediend. Daarmee heeft het (eerste) herstelexploot geen werking gehad. Vervolgens heeft [appellante] ook dit gebrek geprobeerd te herstellen door het uitbrengen van een (tweede) herstelexploot op 7 oktober 2024 tegen de roldatum van 17 december 2024. Op die roldatum zijn beide herstelexploten en de oorspronkelijke appeldagvaarding ingediend bij de griffie van dit hof. Het door [appellante] uitgebrachte (tweede) herstelexploot is evenmin geldig, omdat het niet is betekend binnen twee weken na de in de appeldagvaarding vermelde roldatum. Dit brengt naar het oordeel van het hof mee dat de aanhangigheid van het geding op de voet van artikel 125 lid 5 Rv Pro is vervallen.
3.7.
Het beroep op een uitzonderingssituatie slaagt niet en leidt niet tot een ander oordeel. [appellante] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die maken dat zij wel ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep. Weliswaar stelt [appellante] dat de gevolgen van de zware mishandeling in januari 2024 van haar advocaat ervoor hebben gezorgd dat de zaak niet tijdig is aangebracht, maar die stelling is onvoldoende onderbouwd. Door [appellante] is niet uitgelegd waarom haar advocaat wel in staat is geweest een appeldagvaarding en herstelexploten uit te brengen, maar niet in staat is geweest om de appeldagvaarding en het (eerste) herstelexploot aan te brengen bij het hof. Zonder nadere toelichting en gelet op de rechtszekerheid kan alleen al daarom niet worden geoordeeld dat een redelijke, met de eisen van een goede procesorde verenigbare wetstoepassing meebrengt dat de onderhavige zaak alsnog tijdig met het (tweede) herstelexploot bij dit hof is ingediend.
In de hoofdzaak
3.8.
Gelet op het vorenstaande zal het hof, nu de aanhangigheid van het geding is komen te vervallen, [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.
Proceskosten in het incident en in de hoofdzaak
3.9.
Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de gemeente in het hoger beroep veroordelen. Deze kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de gemeente zullen vastgesteld worden op € 798,00 aan griffierecht en
€ 1.214,00 aan salaris advocaat (1 punt x tarief II)
.

4.De beslissing

Het hof:
in het incident:
wijst de vordering toe;
in de hoofdzaak:
verstaat dat de aanhangigheid van het geding is vervallen;
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep;
in het incident en in de hoofdzaak
veroordeelt [appellante] in de proceskosten, welke kosten aan de zijde van de gemeente tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 798,00 aan griffierecht en € 1.214,00 (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, P.P.M. Rousseau en E.H. Schulten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 mei 2025.
griffier rolraadsheer