In deze civiele procedure heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 6 mei 2025 uitspraak gedaan over een incident betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid van appellante in haar hoger beroep. Appellante had het hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Limburg van 20 maart 2024.
De kern van het geschil betrof het niet tijdig aanbrengen van de zaak bij de griffie van het hof op de in de dagvaarding en herstelexploten aangezegde roldata. Hoewel appellante binnen de wettelijke termijn van twee weken na de eerste roldatum een herstelexploot heeft uitgebracht, werd de zaak wederom niet tijdig bij de griffie ingediend. Een tweede herstelexploot werd wel tijdig uitgebracht, maar niet binnen de termijn van twee weken na de oorspronkelijke dagvaarding, waardoor dit ook niet geldig was.
Appellante voerde aan dat de vertraging te wijten was aan de gevolgen van een zware mishandeling van haar advocaat, maar het hof oordeelde dat deze stelling onvoldoende was onderbouwd en niet leidde tot een uitzondering op de strikte termijnen. Het hof verklaarde daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde appellante in de proceskosten.