In deze zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen de onderbewindstelling van zijn goederen, ingesteld door de kantonrechter van de rechtbank Limburg. Appellant betwistte de procedure en de inhoudelijke gronden voor onderbewindstelling, waaronder het gebruik van verouderde medische verklaringen en het ontbreken van actuele geestelijke beperkingen.
Het hof heeft vastgesteld dat appellant in hoger beroep wel degelijk over het verzoekschrift en bijlagen beschikte en zijn standpunt heeft kunnen toelichten, waardoor eventuele procedurele tekortkomingen in eerste aanleg zijn hersteld. Het hof concludeert dat er geen sprake is van verkwisting of problematische schulden en dat de medische rapportages onvoldoende actueel zijn om een onderbewindstelling te rechtvaardigen.
Verder is gebleken dat appellant met ondersteuning van een ambulante begeleidster zijn financiën adequaat kan beheren en dat de samenwerking met de bewindvoerder niet goed verloopt, waardoor het bewind niet langer zinvol is. Daarom wijst het hof het verzoek tot onderbewindstelling af voor de periode na 1 mei 2025, bekrachtigt het de beschikking tot die datum en bepaalt dat de bewindvoerder de eindrekening binnen twee maanden moet afleggen.