Op 8 april 2025 behandelde de wrakingskamer van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch een wrakingsverzoek van verzoeker tegen de raadsheren die zijn strafzaak behandelen. Het verzoek was ingediend op 6 april 2025, kort voor de geplande regiezitting. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien verzoeker al op 6 maart 2025 op de hoogte was van de regiezitting en zijn klachten reeds op 24 februari 2025 kenbaar had gemaakt.
Verzoeker stelde dat de behandelend kamer niet onpartijdig was, zijn recht op verdediging aantastte en hem geen veilige omgeving bood. Ook voerde hij aan dat het hof zou hebben voorgesorteerd op een niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep. De wrakingskamer vond deze argumenten onvoldoende onderbouwd en niet relevant voor de partijdigheid van de raadsheren.
Daarnaast werd de suggestie van de raadsheer om zich te laten bijstaan door een advocaat gezien als een goedbedoelde aanbeveling. De wrakingskamer benadrukte dat rechterlijke tussenbeslissingen, zoals de regiezitting over ontvankelijkheid, niet met een wrakingsverzoek kunnen worden aangevochten.
Verzoeker was niet aanwezig bij de zitting. De wrakingskamer stelde het verzoek buiten behandeling wegens niet-ontvankelijkheid en wees het af. Hiermee werd bevestigd dat het wrakingsverzoek niet ontvankelijk was wegens te late indiening en gebrek aan gegronde redenen.