Partijen zijn in 2003 gehuwd en de rechtbank Oost-Brabant heeft hun huwelijk duurzaam ontwricht verklaard en de echtscheiding uitgesproken. De man is het hiermee oneens en komt in hoger beroep, stellende dat het huwelijk niet duurzaam ontwricht is en dat de vrouw niet wilsbekwaam is om de echtscheiding te verzoeken.
De man voert aan dat het contactverlies onvrijwillig is en veroorzaakt door de opname van de vrouw in een zorginstelling vanwege haar geestelijke en lichamelijke gezondheid, waaronder dementie. Hij overlegt indicatiestellingen van het CIZ en een algemene volmacht die haar handelingsbekwaamheid betwijfelen. De vrouw is niet verschenen bij de mondelinge behandeling, wat volgens de man nader onderzoek rechtvaardigt.
De vrouw en haar advocaat stellen dat zij wel wilsbekwaam is en dat het huwelijk duurzaam ontwricht is door het ontbreken van contact en samenwoning. De CIZ-indicatie wordt betwist vanwege vermeend financieel belang van een familielid. De vrouw woont inmiddels bij haar dochter en is niet dement of hulpbehoevend.
Het hof overweegt dat duurzame ontwrichting een objectieve toestand is en dat het ontbreken van samenwoning en contact een sterke aanwijzing daarvoor vormt. Echter, vanwege het ontbreken van de vrouw bij de zittingen en onvoldoende duidelijkheid over haar wilsbekwaamheid, acht het hof een nieuwe mondelinge behandeling noodzakelijk om de vrouw zelf te horen. Het hof bepaalt een nieuwe zitting en houdt verdere beslissing aan.