3.3.Terwijl deze procedure al gaande was, heeft de man op 8 november 2023 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Limburg (Roermond) waarin hij verzoekt om aanpassing van de zorgregeling. De rechtbank heeft hieraan zaaknummer C/03/324126 / FA-RK 23 / 4232 verbonden. Op de mondelinge behandeling bij het hof op 29 januari 2024 is gebleken dat er in deze bodemzaak nog geen zitting is gepland en dat de vrouw recent uitstel heeft verzocht voor het indienen van verweer.
3.4.1.De vrouw heeft bij de voorzieningenrechter nakoming van de afgesproken zorgregeling gevorderd op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag(deel) dat de man in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 12.500,-, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, zulks met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.4.2.De man heeft in reconventie gevorderd dat de voorzieningenrechter de zorgregeling tussen de man en de kinderen voorlopig zal beperken tot één weekend per maand, met name in het eerste oneven weekend van iedere maand tot de rechtbank in de hoofdzaak zal hebben beslist en dat de vrouw vanaf het moment dat zij, zonder toestemming van de man, toch zal zijn verhuisd naar [plaatsnaam] de man zal compenseren in het halen en brengen van de kinderen, in die zin dat de vrouw tijdens het omgangsweekend van de man, de kinderen op vrijdag 18.00 uur naar de man brengt en zij de kinderen op zondag om 18.00 uur weer bij de man ophaalt.
3.4.3.Bij het bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – vonnis heeft de voorzieningenrechter de man veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals is vastgelegd in het ouderschapsplan dat is aangehecht bij de beschikking van
17 juni 2022, met veroordeling van de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van
€ 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt.
De voorzieningenrechter heeft het meer of anders verzochte afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.
3.5.1.De man kan zich hiermee niet verenigen. Hij vordert in hoger beroep, kort gezegd, vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, de vrouw alsnog in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze vorderingen af te wijzen en gedurende de bodemprocedure die aanhangig is bij de rechtbank de zorgregeling te schorsen tot de rechtbank in de bodemprocedure een beschikking heeft gegeven, onder compensatie van kosten.
Zijn standpunt, zoals dit blijkt uit zijn memorie van grieven en de mondelinge behandeling, luidt – samengevat – als volgt.
Ten onrechte heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het in het belang van de kinderen
is dat zij een structurele omgangsregeling met de man hebben. In een normale situatie is dat zeker het geval, maar niet in de situatie waarin de man verkeert. De man lijdt aan PTSS en ADHD. De man is ruim anderhalf jaar in therapie en zijn psycholoog heeft bevestigd dat hij overbelast is. Hij is helemaal ingeklapt en niet langer in staat de kinderen op te vangen. Hij heeft ook nog nekpijn en de fysiotherapeut heeft hem doorwezen naar een orthopeed voor een operatie. De man heeft nu zoveel stress dat hij niet meer kan functioneren. Daarvoor zijn de spanningen tussen partijen te groot. De vrouw weet precies hoe ze de man moet triggeren. De man kan het niet meer aan. De vrouw blijft de man maar steken en hem verwijten maken. De man komt de zorgregeling alleen maar na omdat hij de dwangsommen niet kan betalen. De man heeft nog twee oudere dochters uit een eerdere relatie die iedere veertien dagen een weekend bij hem verblijven. Dat kan wel, omdat de man met de moeder van deze kinderen wel kan overleggen en als hij zich niet goed voelt wordt de zorgregeling verplaatst.
Op 19 januari 2024 is de situatie tussen partijen in het bijzijn van de kinderen zo geëscaleerd dat de man aangifte wil doen tegen de vrouw van huisvredebreuk en de vrouw aangifte tegen de man wil doen van mishandeling. Vóór het incident op 19 januari 2024 had de man al tweemaal Veilig Thuis aan de telefoon, omdat er veel aan de hand is bij de vrouw. Mogelijk is een voorlopige ondertoezichtstelling nodig, want de zorgen zijn groot. Het loopt een keer uit de hand. Het is niet meer te doen voor de man en hij staat niet meer voor zichzelf in. De man heeft bij de vrouw geopperd dat Humanitas het halen en brengen van de kinderen kan doen, maar de vrouw reageerde niet op dit idee. De man probeert zijn verantwoordelijkheid te nemen en al zijn vier kinderen te beschermen, maar het gaat steeds mis. De man zit al anderhalf jaar in therapie. Hij volgt specialistische GGZ, de zwaarste therapie die er is. Hij heeft ook al gedragstherapie gedaan en nu een ‘wie ben ik’-therapie. De vrouw moet ook in therapie. De man kan het echt niet meer opbrengen om de zorgregeling nog na te komen; hij moet hier eerst van bijkomen.
De man doet niet meer moeilijk over het verhuizen van de vrouw naar [plaatsnaam] , omdat hij zelf vaak in [woonplaats] verblijft.
3.5.2.De vrouw heeft gevorderd de man in zijn vorderingen niet ontvankelijk
te verklaren, althans hem deze te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met
veroordeling van de man in de kosten van deze procedure met inbegrip van de nakosten.
Het standpunt van de vrouw, zoals blijkt uit de memorie van antwoord en de mondelinge behandeling, luidt, samengevat, als volgt.
Beide partijen zijn overvraagd, maar de vrouw zorgt conform de regeling 86% van de tijd voor de kinderen en de man slechts 14%. De vrouw wordt geconfronteerd met een vader die zijn kinderen niet, althans zo weinig mogelijk, wil zien en de gang van zaken telkenmale frustreert. De man gaat daarin behoorlijk ver en schuwt het niet de vrouw uit te schelden waar de kinderen bij zijn. De man drijft zijn zin door en overleg is niet mogelijk. Wanneer de man wordt aangesproken op de gang van zaken wordt hij kwaad en agressief jegens de vrouw. Het ligt niet aan de vrouw, want de man begint meteen te tieren als zij hem ergens op aanspreekt. Tijdens de overdracht van de kinderen op vrijdag 19 januari 2024 is de vrouw aangevallen door de man. De man moet therapie krijgen waarin hij leert hoe hij moet omgaan met andere mensen. De vrouw heeft er belang bij dat de man zich aan de regeling houdt en de omgang met de kinderen doorgaat op de afgesproken tijden. De vrouw werkt als chauffeur en wordt telkenmale vooraf ingeroosterd. De vrouw werkt regelmatig in de weekenden waarin de man de kinderen heeft. Ze krijgt dan dubbel salaris en ze heeft het geld hard nodig. De vrouw probeert de man niet te ergeren. Zij wil alleen maar dat hij de zorgregeling nakomt. Als hij dat doet heeft hij van de vrouw geen last. De man heeft ten overstaan van de vrouw toegegeven dat de kinderen hem helemaal niet zwaar vallen, maar dat het hem alleen maar te doen is om de vrouw dwars te zitten. De man haat de vrouw. De vrouw heeft zelf geen contact gehad met Veilig Thuis, maar Veilig Thuis heeft wel telefonisch contact gehad met haar partner met de vraag of [kind 1] en [kind 2] ook bij hem wonen. Dat is niet zo. De vrouw woont niet samen. De meldingen komen niet van de kant van de vrouw; dat is allemaal pesterij vanuit een andere kant. De zorgregeling mag niet worden stopgezet. Het zijn kleine kinderen en die tijd haalt de man nooit meer in. De vrouw moet er nog even over nadenken of zij de overdrachtsmomenten door Humanitas wil laten begeleiden. Een voorlopige ondertoezichtstelling is niet nodig.
3.5.3.De raad heeft op de mondelinge behandeling geadviseerd om de zorgregeling niet te schorsen. Zelfs bij een tijdelijke stopzetting zouden er alleen maar verliezers zijn. De kinderen zijn nog jong en hebben het echt nodig om met enige regelmaat hun beide ouders te zien. Een contactbreuk tussen de kinderen en hun vader moet voorkomen worden. Hoe langer zo’n breuk duurt, hoe lastiger het bovendien wordt om de band te herstellen. De man wordt anders een vreemde voor de kinderen. De kinderen moeten hun vader leren kennen en stopzetten van de zorgregeling is niet de oplossing. Dat is symptoombestrijding en een te makkelijke oplossing. Bovendien gaan de halfzussen van de kinderen wel iedere veertien dagen naar de vader. Dat valt ook niet uit te leggen aan [kind 1] en [kind 2] . Het is de ouders nog niet gelukt om met de hulpverlening te werken aan nieuw ouderschap. Zij moeten hun verantwoordelijkheid nemen en met elkaar aan de slag. Het is zorgelijk dat de kinderen getuige zijn geweest van geweld tussen hun ouders. De kinderen zijn jong en de ouders moeten nog heel lang met elkaar door. Ook als de kinderen ouder zijn en mijlpalen bereiken in hun leven, willen ze hun beide ouders daarbij aanwezig hebben. Er is nu geen noodzaak voor een voorlopige ondertoezichtstelling. De acute veiligheid van de kinderen is niet in het geding, maar de raad is zeker bereid om onderzoek te doen naar de zorgregeling. Dit onderzoek kan dan worden uitgebreid naar een beschermingsonderzoek indien de raad dat nodig vindt. In de tussentijd zou het mooi zijn als er beweging in de zaak komt zodat de kinderen hun vader wel blijven zien. Dat hoeft niet perse één weekend in de veertien dagen te zijn, het is belangrijker dat er regelmaat in blijft zitten.
Het hof overweegt als volgt.
3.6.1.Het spoedeisend belang van deze procedure in kort geding vloeit voort uit de aard van de vordering, omdat de man aangeeft dat hij de zorgregeling met de kinderen niet meer kan nakomen.
3.6.2.Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is vast komen te staan dat de relatie tussen partijen erg gespannen is en dat zij allebei niet in staat zijn om op fatsoenlijke wijze met elkaar om te gaan zodat hun kinderen hier geen last van hebben. De spanningen tussen de ouders zijn inmiddels zo hoog opgelopen dat er op 19 januari 2024 een escalatie tussen hen heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de kinderen. De ouders overwegen om aangifte tegen elkaar te doen van respectievelijk mishandeling (de vrouw) en huisvredebreuk (de man). De man ging al gebukt onder ernstige psychische en fysieke problemen en is druk doende is om met individuele hulpverlening aan zichzelf te werken. Mede door de spanningen die hij in zijn relatie met de vrouw heeft, ervaart hij nu zoveel stress dat hij als enige oplossing ziet het tijdelijk stopzetten van de zorgregeling met de kinderen totdat de rechtbank heeft beslist in de bodemprocedure. Hoewel dit voor de man een goede oplossing lijkt die hém rust geeft, acht het hof dit niet in het belang van de kinderen, integendeel. Het hof gaat de zorgregeling dan ook niet schorsen. Het is algemeen bekend dat een dergelijke bodemprocedure nog wel een jaar in beslag kan nemen en voor kinderen in de leeftijd van [kind 1] (5 jaar) en [kind 2] (bijna 3 jaar) is dit niet te overzien en schadelijk voor hun ontwikkeling. Zij hebben zowel hun moeder als hun vader nodig in hun leven. Gezien de ernst van de situatie, de spanningen tussen de ouders en de zorgen die het hof heeft over de impact hiervan op de kinderen, is het echter ook onverantwoord om de huidige zorgregeling te laten voortduren. Dit maakt het lastig, juist omdat het voor kinderen in deze leeftijd zo belangrijk is dat zij regelmatig contact met hun vader blijven hebben. Dit hoeft echter niet eenmaal per twee weken te zijn. Een regeling waarbij zij
tijdelijkeenmaal per vier wekencontact met hun vader hebben, biedt de kinderen ook regelmaat en geeft de man en de kinderen de kans om hun band te behouden. Op deze manier hebben de ouders nog maar eenmaal per vier weken met elkaar te maken en blijft het contact rondom de wisselmomenten beperkt. Aangezien dit ook was wat de man in eerste aanleg vorderde, vertrouwt het hof erop dat hij zich hieraan zal conformeren.. Daar komt ook nog bij dat niet alleen de man, maar ook de vrouw kampt met persoonlijke problematiek, dat het zwaartepunt in de verzorging en opvoeding van de kinderen al bij haar ligt en dat dit door deze beslissing, in ieder geval tijdelijk, nog zwaarder wordt. Het hof geeft de ouders mee dat zij de verantwoordelijkheid hebben om het wisselmoment te laten plaatsvinden op een wijze die voor de kinderen niet belastend is, zij kunnen bijvoorbeeld Humanitas hiervoor benaderen. De ouders moeten er beiden voor zorgen dat het incident van 19 januari 2024 daadwerkelijk een incident blijft.
3.6.3.Zoals op de mondelinge behandeling bevestigd door de man, ziet de vordering van de man in hoger beroep alleen op schorsing van de zorgregeling. De dwangsom ligt in hoger beroep niet voor en blijft ook verbonden aan de nakoming van deze tijdelijke regeling. Ook als de man hier wel tegen was opgekomen, had het hof de dwangsommen gehandhaafd. De man wenst immers de zorgregeling in zijn geheel te schorsen en heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij de regeling nu alleen maar nakomt omdat hij de dwangsom niet kan betalen. De dwangsom is kennelijk nodig.
3.6.4.Verder heeft het hof met de raad en partijen gesproken over de mogelijkheid van een te gelasten raadsonderzoek naar de zorgregeling. De raad is daartoe bereid en de ouders zijn het hiermee eens. Het hof ziet voldoende aanleiding om ten behoeve van de bodemprocedure die tussen partijen loopt (hiervoor genoemd onder rechtsoverweging 3.3) een raadsonderzoek te gelasten met betrekking tot de zorgregeling tussen de vader en de kinderen. Het hof geeft de raad opdracht een onderzoek in te stellen omtrent de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de kinderen en de vader komt, het meest tegemoet aan de belangen van de kinderen en welke mogelijkheden en belemmeringen ziet de raad?
- Wat acht de raad nodig om eventuele belemmeringen weg te nemen?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in de rapportage en het advies te vermelden?
Het hof gaat er daarbij van uit dat de raad zijn onderzoek zal uitbreiden naar een beschermingsonderzoek indien daartoe aanleiding bestaat. De raad wordt verzocht hierover te rapporteren en te adviseren aan de rechtbank Limburg (Roermond), in de reeds lopende bodemprocedure met zaaknummer C/03/324126 / FA-RK 23 / 4232.
3.6.5.Tot slot heeft de vrouw gevorderd de man te veroordelen in de proceskosten. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de in familierechtelijke procedures gebruikelijke regel om de proceskosten te compenseren.
3.6.6.Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het bestreden vonnis in kort geding vernietigen en beslissen zoals hierna wordt vermeld.