Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/372970 / HA ZA 21-487)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de mondelinge behandeling, waarbij beide partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
3.De beoordeling
saldo afrek. [aktenummer]
terugbetaling lening” en dat op diezelfde datum een bedrag van
lening”.
Op 24 december 2009 heb ik aan u geleend een geldbedrag ad € 100.000
Bij de 1° tranche vermelden terugbetaling lening 50.000 euro Bij de 2° tranche vermelden privé lening 50.000 euro” (prod 1 mva).
Ergens eind 2009 zei [geïntimeerde], hof]
dat ie dringend geld nodig had. Hij kwam 100.000 euro tekort. Hij moest wat privéproblemen oplossen en het geld zou snel weer terug zijn, een paar maanden zei [geïntimeerde] . Ik heb toen gezegd dat ik hem graag wilde helpen maar niet zou weten hoe. Ik had geen geld. [geïntimeerde] kwam toen met het idee of ik een hypotheek kon afsluiten op mijn huis. (..) Ik heb toen tegen [geïntimeerde] gezegd dat ik dat wel wilde doen wanneer het geld dan ook echt binnen een paar maanden weer terug zou zijn. (..)
geldlening aan [geïntimeerde] . De afspraak hierbij was dat [geïntimeerde] aan [appellant] -binnen dezelfde periode van een drie/viertal maanden- het volledige bedrag plus rentevergoeding gelijk aan de rentevergoeding die ik met [appellant] was overeengekomen, zou hebben terugbetaald. (..)”
een paar maanden” (verklaringen [appellant] en [persoon B] ) c.q. “
binnen een periode van een drie/viertal maanden” (verklaring [persoon A] ) opeisbaar was. Dat betekent, als het hof deze omschrijvingen ruim opvat, dat de verjaring is gaan lopen uiterlijk op 28 april 2010.
jaren en jaren (..) gesprekken[zijn]
geweest” (verklaring [appellant] ) c.q. “
in de periode 2012 tot en met ongeveer eind 2015/begin 2016 zeer geregeld gesprekken[zijn]
gevoerd (..) over de terugbetaling” (verklaring [persoon B] ) is onvoldoende om te kunnen oordelen dat daardoor en daarmee de lopende verjaring zou zijn gestuit, en evenmin dat [appellant] een beroep wenst te doen op stuiting van die verjaring. Geen sprake is hier immers van een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser (i.c. [appellant] ) zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, zoals artikel 3:317 lid 1 BW Pro voorschrijft.