ECLI:NL:GHSHE:2024:4122

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
200.342.499_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 lid 2 BWArt. 1:391 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing bewind wegens herstel financiële zelfredzaamheid na problematische schulden

De kantonrechter van de rechtbank Limburg stelde op 7 maart 2022 een bewind in over de goederen van de rechthebbende wegens problematische schulden, ontstaan na een ongeval bij terugkeer uit Nieuw-Zeeland. De schuld bij de Gemeentelijke Kredietbank is inmiddels volledig afbetaald, en een resterende schuld in Nieuw-Zeeland wordt via een betalingsregeling afgelost.

De rechthebbende woont zelfstandig, beheert zijn eigen huishouden en maakt doordachte financiële keuzes. Sinds de instelling van het bewind is een zelfredzaamheidstraject gestart, waarbij de rechthebbende bijna alle kosten zelf betaalt. De bewindvoerder erkent de vooruitgang maar wijst op het minimale budget en het risico bij onverwachte uitgaven.

Het hof oordeelt dat de voortzetting van het bewind na een korte overgangsperiode niet langer noodzakelijk is, omdat de rechthebbende zijn financiële belangen weer zelfstandig kan behartigen. De beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd en het bewind wordt per 1 februari 2025 opgeheven, met een termijn voor afronding door de bewindvoerder.

Uitkomst: Het bewind over de goederen van de rechthebbende wordt per 1 februari 2025 opgeheven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 19 december 2024
Zaaknummer: 200.342.499/01
Zaaknummer eerste aanleg: 10868059 BM VERZ 24-57
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. E.A.M. Ramakers,
Als belanghebbende merkt het hof aan:
[bewindvoerder] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juni 2024, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot opheffing van het bewind toe te wijzen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingediend.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 november 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de rechthebbende, bijgestaan door mr. Ramakers;
  • de bewindvoerder, vertegenwoordigd door P.M.M. Meertens.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 maart 2024;
  • de brief van de bewindvoerder, ingekomen ter griffie op 30 juli 2024.
2.4.1.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is op verzoek van het hof op 3 december 2024 een volmacht ontvangen waarin de bewindvoerder P.M.M. Meertens heeft gemachtigd om tijdens voornoemde mondelinge behandeling de belangen van de bewindvoerder te behartigen.

3.De feiten

Bij beschikking van 7 maart 2022 heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden en daarbij bepaald dat inschrijving van het bewind in het daartoe bestemde register dient plaats te vinden, met benoeming van [vennoot] , vennoot van [bedrijf] tot bewindvoerder.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.
4.2.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

5.De beoordeling

Het standpunt van de rechthebbende en van de bewindvoerder
5.1.
De rechthebbende voert – samengevat – het volgende aan. Er is anders dan ten tijde van de instelling van het bewind geen sprake meer van problematische schulden. De schulden van de rechthebbende zijn ontstaan doordat hij na een verblijf van zeventien jaar in Nieuw-Zeeland op de eerste dag van zijn terugkeer in Nederland – toen nog onverzekerd – een ongeluk heeft gehad waarbij hij zijn heup heeft gebroken. De rechthebbende heeft toen de Gemeentelijke Kredietbank benaderd om de schulden te voldoen die als gevolg van het ongeval waren ontstaan. De schuld bij de Gemeentelijke Kredietbank is inmiddels volledig afbetaald. In juli 2023 is de rechthebbende ermee bekend geraakt dat hij een schuld heeft in Nieuw-Zeeland vanwege de daar kennelijk ten onrechte ontvangen uitkering. Voor deze schuld is een betalingsregeling getroffen.
De huidige financiële situatie van de rechthebbende is stabiel. De rechthebbende is goed op de hoogte van zijn inkomsten en uitgaven, hij heeft geen nieuwe schulden meer opgebouwd, woont zelfstandig en runt zijn eigen huishouden. Als er in een maand financiële ruimte is, dan vraagt hij weleens bij de bewindvoerder om extra geld. Dit geld stuurt hij doorgaans naar zijn kleindochter in Nieuw-Zeeland of hij gebruikt het voor de aankoop van bijvoorbeeld kleding. Sinds de bestreden beschikking zijn de bewindvoerder en de rechthebbende gestart met een zelfredzaamheidstraject. In het kader van dit traject voldoet de rechthebbende inmiddels bijna alle kosten zelf, op een paar betalingen na die de bewindvoerder nog voldoet.
De rechthebbende is tevreden over de bewindvoerder en dankbaar voor alle hulp die hij van de bewindvoerder heeft ontvangen. Gelet op zijn huidige (stabiele) financiële situatie is de rechthebbende nu echter weer in staat om zijn financiële belangen te behartigen waardoor het bewind niet langer noodzakelijk is.
5.2.
De bewindvoerder voert – samengevat – het volgende aan. De schuld waarvoor destijds het bewind is ingesteld, is op verzoek van de rechthebbende versneld afgelost. In de zomer van 2023 is gebleken dat de rechthebbende nog een schuld heeft van +/- 120.000 euro in Nieuw-Zeeland in verband met een ten onrechte ontvangen uitkering. Voor deze schuld is een betalingsregeling getroffen, maar gelet op de hoogte van deze schuld zal deze naar alle waarschijnlijkheid nooit helemaal worden afbetaald.
Sinds de bestreden beschikking is een zelfredzaamheidstraject met de rechthebbende gestart. Binnen dit traject is inmiddels bereikt dat de rechthebbende op enkele posten na al zijn betalingen zelf (tijdig) voldoet. Dit traject verloopt al zeven maanden goed en hiermee is duidelijk geworden dat de rechthebbende in staat is zijn betalingen zelf te doen, waaronder ook de betaling van de maandelijkse termijnen voor de aflossing van de schuld in Nieuw-Zeeland.
Ondanks dat het zelfredzaamheidstraject goed verloopt, is vanwege het minimale budget van de rechthebbende bewindvoering nog nodig. Er blijft na de betaling van alle vaste lasten weinig bestedingsruimte per maand over waardoor het bewind kan dienen als stok achter de deur. Dit omdat de rechthebbende vrijwel elke maand om 200 euro extra vraagt en weinig spaart. In de meeste gevallen kan de bewindvoerder voldoen aan het verzoek van de rechthebbende om extra geld. Het budget van de rechthebbende is echter dermate minimaal dat hij de ene maand (net) uitkomt en de andere maand niet. Als er geen bewind meer is en de rechthebbende wordt bijvoorbeeld onverwacht geconfronteerd met een hoge rekening dan komt de rechthebbende mogelijk in de financiële problemen.
5.3.
Het hof overweegt als volgt.
Het wettelijk kader
5.3.1.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat.
De overwegingen van het hof
5.3.2.
Het hof is anders dan de kantonrechter van oordeel dat het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind dient te worden toegewezen. Dit oordeel licht het hof als volgt toe.
5.3.3.
Het bewind is blijkens de instellingbeschikking van 7 maart 2022 ingesteld wegens het hebben van problematische schulden. Niet in geschil is dat de aanleiding voor de instelling van het bewind de schuld was die bij de rechthebbende is ontstaan als gevolg van medische kosten die de rechthebbende heeft gemaakt op de eerste dag van zijn terugkomst in Nederland. Gebleken is dat deze schuld inmiddels (versneld) volledig is afgelost.
Na de instelling van het bewind zijn de rechthebbende en de bewindvoerder er in 2023 bekend mee geraakt dat de rechthebbende een schuld in Nieuw-Zeeland heeft in verband met een ten onrechte genoten uitkering. Voor deze schuld is een betalingsregeling getroffen, maar evident is dat deze schuld gelet op de hoogte daarvan en de leeftijd van de rechthebbende naar alle waarschijnlijkheid nooit volledig afbetaald zal worden.
Gebleken is dat het zelfredzaamheidstraject van de rechthebbende goed verloopt en dat de bewindvoerder de rechthebbende in staat acht zijn betalingen zelf te voldoen, waaronder begrepen de betaling van de maandelijkse termijnen in verband met de schuld in Nieuw-Zeeland.
Hoewel het hof de zorg van de bewindvoerder deelt over het minimale budget van de rechthebbende, is deze zorg onvoldoende grond om het bewind voort te laten duren. Doorslaggevend voor het niet laten voortduren is dat voldoende vaststaat dat de rechthebbende goed op de hoogte is van zijn inkomen en vaste lasten en ondanks zijn minimale budget doordachte keuzes maakt met betrekking tot zijn bestedingspatroon. Een voorbeeld hiervan is dat de rechthebbende onbetwist heeft gesteld dat hij alleen om extra geld vraagt als de rechthebbende ziet dat die ruimte er die betreffende maand is. Het hof heeft er dan ook voldoende vertrouwen in dat de rechthebbende ook zonder bewind verantwoorde financiële keuzes zal kunnen maken en dat aan de rechthebbende de mogelijkheid moet worden geboden om daadwerkelijk te laten zien dat hij zijn financiële belangen weer zelfstandig kan behartigen. Het voorgaande in acht genomen is het hof van oordeel dat de voortzetting van het bewind na verloop van een korte overgangstermijn niet langer noodzakelijk is.
De slotsom
5.4.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de rechthebbende om het bewind op te heffen alsnog toe wijzen. Het bewind zal met ingang van 1 februari 2025 worden opgeheven, zodat de bewindvoerder zijn werkzaamheden zorgvuldig kan afronden.
Aantekening curatele- en bewindregister
5.5.
Het hof zal bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in verband met de aantekeningen in het Centraal curatele- en bewindregister.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 maart 2024;
en opnieuw rechtdoende:
heft op, met ingang van 1 februari 2025, het bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] , geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] ;
bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden nadat het bewind is opgeheven de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de rechthebbende en een - zo mogelijk door hem voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, overlegt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW Pro een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht in verband met aantekening in het Centraal curatele- en bewindregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, C.N.M. Antens, C.M.J. Peters en is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024 in tegenwoordigheid van
mr. T. Kuijs, griffier.