Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde sub 1] ,
[geïntimeerde sub 2] , handelende onder de naam [kapsalon geïntimeerde sub 2],
5.Het verloop van de procedure
- het arrest in het incident van 6 februari 2024;
- de memorie met producties 18-25;
- de memorie van antwoord [geïntimeerde sub 2] producties A-E;
- de brief van [appellante] met producties 26-30, ingekomen op 26 september 2024;
- het bericht van [geïntimeerde sub 1] met productie F, ingekomen op 26 september 2024;
- het bericht van [appellante] van 16 oktober 2024, met de mededeling dat [appellante] niet op de mondelinge behandeling aanwezig kan zijn en zich zal laten vertegenwoordigen door [persoon A] ;
- de op 17 oktober 2024 gehouden mondelinge behandeling, waarbij zijn gehoord:
6.De verdere beoordeling
In aansluiting op ons telefonisch onderhoud van gisteren in de namiddag bevestig ik
Op uitnodiging en met akkoord van cliënte heeft u namens cliënte het ontslag op staande
OVERNAME OVEREENKOMST EENMANSZAAK [bedrijf B]” ontvangen. Daarin staat voor zover hier van belang:
(…)
INBOEDEL” bijgeschreven)
eenmanszaak [bedrijf B] (…) en wel per 01-10-2022
1” onder “
Artikel 5” is met de hand omcirkeld; de tekst van de leden 2 en 3 is doorgekrast. Naast lid 1 is met de hand geschreven: “
NEEMT KOPER NIET OVER”. Onder de doorgekraste tekst is met de hand geschreven:
2. WIJ ONTSLAAN [geïntimeerde sub 1] LAM EN WANNEER ERCUN [geïntimeerde sub 2] [geïntimeerde sub 1] NADERHAND IN DIENST NEEMT HIJ DE TRANSITIEVERGOEDING BETAALT DOOR ONS OVER”.
- om [geïntimeerde sub 1] vanaf 13 november 2022 op te roepen voor het verrichten van haar werkzaamheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat (primair) [appellante] en (subsidiair) [kapsalon geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 2] daarmee in gebreke blijft;
- om aan [geïntimeerde sub 1] vanaf 13 november 2022 het loon van € 1.436,46 bruto per maand te voldoen, vermeerderd met (subsidiair) de vakantiebijslag (en primair en subsidiair) de wettelijke rente en maximale wettelijke verhoging, alsmede onder afgifte van een daarop betrekking hebbende bruto/netto specificatie, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat (primair) [appellante] en (subsidiair) [kapsalon geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 2] daarmee in gebreke blijft;
- om aan [geïntimeerde sub 1] binnen drie dagen na betekening van het vonnis het achterstallig loon van € 3.933,69 bruto exclusief vakantiebijslag (€ 4.248,38 inclusief vakantiebijslag) te voldoen, onder overlegging van een daarop van toepassing zijnde bruto/netto specificatie, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat (primair) [appellante] en (subsidiair) [kapsalon geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 2] daarmee in gebreke blijft;
- om aan [geïntimeerde sub 1] binnen drie dagen na betekening van het vonnis een bedrag van € 7.967,00 netto aan schadevergoeding te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige voldoening;
- om [geïntimeerde sub 1] vanaf 17 juli 2022 aan te melden bij het Pensioenfonds Kappers, onder de verplichting de pensioenpremies met terugwerkende kracht aan het pensioenfonds te voldoen en te blijven voldoen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat (primair) [appellante] en (subsidiair) [kapsalon geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 2] daarmee in gebreke blijft;
- tot betaling van de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Spijkers). De omstandigheid dat een andere onderneming bepaalde activiteiten voortzet, is op zichzelf onvoldoende om tot een overgang van een onderneming te concluderen. Een economische entiteit kan niet worden gereduceerd tot de activiteit waarmee zij is belast. De identiteit van de onderneming blijkt uit meerdere onlosmakelijk verbonden elementen, zoals de personeelssamenstelling, de leiding, de taakverdeling, de bedrijfsvoering en, in voorkomend geval, de beschikbare productiemiddelen; zie onder meer de arresten van het Hof van Justitie EU van 11 maart 1997 (ECLI:EU:C:1997:141
Süzen), 20 januari 2011 (ECLI:EU:C:2011:24
CLECE) en 27 februari 2020 (ECLI:EU:C:2020:121 (
Grafe & Pohle). Hoewel het leerstuk van overgang van onderneming zijn oorsprong vindt in de gedachte dat werknemers moeten worden beschermd tegen verlies van hun arbeidsovereenkomst als de onderneming waarin zij werkzaam zijn wordt overgedragen, heeft in deze zaak [appellante] , de werkgever, zich op overgang van onderneming beroepen, ter afwering van de loon- en aanverwante vorderingen van [geïntimeerde sub 1] , de werknemer. Het beroep op overgang van onderneming is daarmee een bevrijdend verweer van [appellante] , op wie op grond van artikel 150 Rv Pro de stelplicht en de bewijslast rust. Het hof zal de stellingen van [appellante] beoordelen aan de hand van de in de aangehaalde rechtspraak geformuleerde criteria.
Boekenvoordeel/Isik,rov. 3.5.1 en 3.5.2).
- Griffierechten € 343,00
- Salaris advocaat € 3.642,00 (3,0 punten x tarief II)
- Nakosten