ECLI:NL:GHSHE:2024:3584
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Beslissing RC
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis wegens meineed en valsheid in geschrifte
Verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank Limburg in voorlopige hechtenis gehouden wegens verdenking van meineed en valsheid in geschrifte. Het verzoek tot opheffing van deze voorlopige hechtenis werd door de raadkamer van de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek was ingediend tijdens de fase van bewaring door de rechter-commissaris, waardoor het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou worden omzeild.
Het hof oordeelt dat deze niet-ontvankelijkverklaring onterecht was, omdat artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafvordering het recht geeft om op elk moment om opheffing van voorlopige hechtenis te verzoeken, ook tijdens bewaring. Het hof beschouwt de niet-ontvankelijkverklaring daarom als een afwijzing van het verzoek en verklaart het beroep ontvankelijk.
De verdediging voerde aan dat de verklaring van verdachte als getuige onder ede in de strafzaak tegen haar partner niet betrouwbaar is, omdat zij onjuist geïnformeerd zou zijn over haar verschoningsrecht. Het hof acht dit echter geen reden voor bewijsuitsluiting en wijst op de rol van de zittingsrechter hierin.
Het hof ziet geen ernstig gevaar voor herhaling en constateert dat verdachte een blanco strafblad heeft. Bij gebrek aan gronden voor voortzetting van de voorlopige hechtenis vernietigt het hof de beschikking van de rechtbank en heft het de voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beschikking van de rechtbank en heft de voorlopige hechtenis van verdachte op.