Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de kantonrechter van 1 mei 2024;
- de beide verzoeken van [appellant] en [verweerster] om meer spreektijd, als deels gehonoreerd;
- de bij V6-formulier ingediende aanvullende producties (nr. 23 t/m 26) zijdens [appellant] , ingekomen ter griffie van dit hof op 19 september 2024;
- de bij V6-formulier ingediende aanvullende producties (nr. 79 t/m 86) zijdens [verweerster] , ingekomen ter griffie van dit hof op 26 september 2024;
- de brief van 27 september 2024 van mr. Decupere waarin zij bezwaar maakt tegen de aanvullende en tardief overgelegde producties 79 t/m 83 en
- de inhoud van de op de mondelinge behandeling in hoger beroep namens respectievelijk [appellant] en [verweerster] overgelegde en daadwerkelijk voorgelezen pleitnota – dus wat betreft de onderdelen 14 tot en met 20 van de pleitnota van mr. Decupere slechts de daadwerkelijk uitgesproken samenvatting – en spreekaantekeningen.
- [appellant] , bijgestaan door mr. Decupere en
- [verweerster] , bijgestaan door mr. Scheper.
3.De beoordeling
Het hof heeft vervolgens [appellant] extra tijd gegeven om specifiek en apart aandacht te besteden aan deze producties, nadat deze namens [verweerster] zijn toegelicht, welke gelegenheid ook is benut.
“al eerder het executeurschap op zich [had] genomen, nog voordat in de brief de woorden “is voornemens om het executeurschap te aanvaarden” zijn geschreven”. Ook in het beroepschrift wordt dit erkend:
“Voorafgaande aan de aanvaarding van de executele heeft [appellant] de werkzaamheden waarmee hij erflater (en moeder) ook
$ 3,19 op 23 mei 2024. Op 1 oktober 2024 bedroeg de aandelenkoers nog maar $ 2,67.
tenzijde erflater anders heeft beschikt. In dit geval is de tenzij-regel van toepassing. Erflater heeft namelijk in zijn testament onder artikel 6 van Pro het kopje “EXECUTELE” bepaald dat de executeur voor de tegeldemaking van een goed niet de toestemming van de erfgenamen behoeft. Zoals eerder aangegeven, was het nodig om de aandelen te verkopen om de schulden van de nalatenschap te voldoen.
De overige kosten van beide procedures acht het hof voor beide (voormalig) executeurs privékosten, derhalve voor [appellant] alle kosten en voor [verweerster] de kosten van eerste aanleg, en ligt het niet in de rede deze kosten ten laste van de nalatenschapsboedel te laten komen. Deze kosten waren immers mede nodig om het tussen hen als personen/erfgenamen bestaande conflict te beslechten omtrent de afwikkeling van de nalatenschap.