Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:3568

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 november 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
200.342.820_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en niet-ontvankelijkheid in wijzigingsprocedure zorgregeling minderjarigen

Deze zaak betreft een geschil tussen ouders over de zorgregeling voor hun minderjarige kinderen. De vader en moeder zijn het niet eens over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken, waarbij de vader een wijziging van de zorgregeling heeft verzocht. De rechtbank heeft eerder een beschikking gegeven waarin de zorgregeling en contactmomenten tussen vader en kinderen zijn vastgesteld.

De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft onder meer verzocht om wijziging van de zorgregeling en het opleggen van een dwangsom aan de vader bij niet-nakoming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de moeder haar hoger beroep heeft ingetrokken, waarmee zij haar grieven tegen de beschikking niet langer handhaaft.

Het hof heeft daarop geoordeeld dat de moeder niet-ontvankelijk is in het hoger beroep. De intrekking volgt mede uit de wijzigingsprocedure die bij de rechtbank loopt, waarbij partijen een voorlopige zorgregeling zijn overeengekomen. De beslissing van het hof betekent dat het hoger beroep wordt beëindigd en de beschikking van de rechtbank van 25 maart 2024 in stand blijft.

Uitkomst: De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep na intrekking van haar beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 14 november 2024
Zaaknummers: 200.342.820/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/02/407452 FA RK 23-1247
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.E. Swart,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg.
Deze zaak gaat over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ),
geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ),
geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:
Stichting Jeugdbescherming Brabant,
gevestigd te [vestigingsplaats] en tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 maart 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juni 2024, heeft de moeder verzocht, voor zover nu nog van belang, voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • primair:alsnog de verzoeken van de vader als zijnde ongegrond en/of onbewezen af te wijzen;
  • subsidiair:
o te bepalen dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) van dinsdagmiddag tot woensdagochtend wordt vervangen door donderdagmiddag tot vrijdagochtend (kinderen halen en brengen van/naar opvang/school door de vader), alsmede te bepalen dat er weer een opbouwregeling komt welke door de vader nageleefd dient te worden, waarbij de oude definitieve zorgregeling het einddoel kan blijven;
o te bepalen dat een dwangsom wordt opgelegd van € 250,- per dag met een maximum van € 5.000,- indien de vader in gebreke blijft om de zorgregeling zoals deze door het hof wordt bepaald na te komen;
o althans zodanige regelingen vast te stellen die het hof juist acht.
Kosten rechtens.
2.2.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2024. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Swart;
  • de vader, bijgestaan door mr. Kranenburg;
  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad]
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 22 juli 2024;
  • het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 26 september 2024.

3.De beoordeling

De feiten
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De vader heeft de kinderen erkend.
De procedure in eerste aanleg
3.2.
De vader heeft in eerste aanleg, na wijziging op 4 maart 2024 samengevat, verzocht:
  • te bepalen dat voortaan het gezag over de kinderen aan de ouders gezamenlijk toekomt;
  • een zorgregeling en een informatieregeling vast te stellen, zoals in het inleidend verzoekschrift is weergegeven;
  • de door de vader te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de
kinderen vast te stellen op een bedrag van € 46,- per kind per maand.
3.3.
De moeder heeft in eerste aanleg, bij wege van zelfstandig verzoek, samengevat, verzocht:
  • een zorgregeling vast te stellen, zoals in het verweerschrift in eerste aanleg, tevens zelfstandig verzoek, is weergegeven;
  • de door de vader te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de
kinderen vast te stellen op een bedrag van € 140,- per kind per maand.
3.4.
Bij beschikking van 8 juni 2023 heeft de rechtbank:
  • bepaald dat partijen voortaan gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen;
  • bepaald dat de vader met ingang van 1 juni 2023 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder, een bedrag van € 100,- per kind per maand moet voldoen, welk bedrag voor het eerst per 1 januari 2025 zal worden geïndexeerd;
  • bepaald dat de vader en de kinderen in het kader van de zorgregeling
o in één even weekend van zaterdag 8.00 uur tot zondag 18.00 uur en één oneven weekend van vrijdag 17.30 uur tot zaterdag 10.00 uur, met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.6;
o op maximaal twee avonden per week, in onderling overleg tussen partijen te bepalen, met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.6;
  • bepaald dat de moeder de vader uiterlijk eenmaal per maand per e-mail informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot de kinderen, waarbij informatie wordt verstrekt over hun schoolprestaties, gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, hobby’s en activiteiten met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.22;
  • partijen en de kinderen voor een (jeugd)hulptraject via het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West;
  • iedere verdere beslissing met betrekking tot de zorgregeling in afwachting van bericht van partijen omtrent de resultaten van het UHA en de gevolgen daarvan voor de voorliggende verzoeken en de verdere voortgang van de procedure aangehouden.
3.5.
Uit het UHA-rapport van 21 november 2023 volgt dat de gestelde resultaten voor het hulpverleningstraject niet zijn behaald.
De raad is daarop op 5 december 2023 een onderzoek gestart naar de meest passende zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (conform het voorwaardelijke verzoek van de rechtbank in genoemde beschikking van 8 juni 2023).
3.6.
Bij beschikking van 14 maart 2024 heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 14 maart 2024 tot 14 maart 2025.
3.7.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking van 25 maart 2024 heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de vader en de kinderen in het kader van de zorgregeling gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar:
  • met ingang van 5 april 2024: gedurende twee weekenden in de even weken van vrijdag 17.30 uur tot zaterdag 18.00 uur, waarbij de kinderen op zowel vrijdag als zaterdag in de avond bij de vader eten;
  • met ingang van 3 mei 2024: gedurende twee weekenden in de even weken van vrijdag 17.30 uur tot zondag 14.00 uur, waarbij de kinderen op vrijdag in de avond bij de vader eten;
  • met ingang van 31 mei 2024: gedurende twee weekenden in de even weken van vrijdag 17.30 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de kinderen op vrijdag en zondag in de avond bij de vader eten;
  • met ingang van 28 juni 2024: in de even weken van vrijdag 17.30 uur tot maandagochtend naar school/gastouder;
  • waarbij de vader de kinderen op de vrijdagen bij de moeder ophaalt en ze ook weer
terugbrengt naar de moeder of naar school/gastouder op maandag;
  • met ingang van dinsdag 9 april 2024: elke dinsdagmiddag tot woensdagochtend, waarbij de vader de kinderen op dinsdag ophaalt bij de gastouder en op woensdag voor zijn werk terugbrengt naar de moeder;
  • alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in nader onderling overleg tussen partijen te regelen met hulp van de jeugdbeschermer, waarbij de kinderen in de zomervakantie van 2024 bij de vader verblijven gedurende de laatste drie weken van de schoolvakantie en zij in die drie weken in ieder geval één keer bij de moeder zullen slapen, in overleg met de jeugdbeschermer af te spreken op welk moment dit zal zijn.
De procedure in hoger beroep
3.8.
De moeder kan zich met voornoemde beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De ontwikkelingen na de bestreden beschikking
3.9.
Na de bestreden beschikking hebben zowel de GI als de moeder bij de rechtbank om wijziging van de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de kinderen verzocht. De rechtbank heeft bij beschikking van 12 september 2024 het verzoek van de GI en, naar het hof begrijpt, het verzoek van de moeder, aangehouden tot 10 oktober 2024.
3.10.
Uit deze beschikking van 12 september 2024 blijkt dat partijen in die procedure een voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen zijn overeengekomen, zoals in rechtsoverweging 7.3. van die beschikking is weergegeven.
De motivering van de beslissing
3.11.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof partijen de nu nog beperkte omvang van het geschil in hoger beroep voorgehouden.
In de onderhavige procedure is immers enkel nog in geschil of de zorgregeling tussen de vader en de kinderen, voor wat betreft het doordeweekse contactmoment, moet worden gewijzigd van dinsdagmiddag tot woensdagochtend naar donderdagmiddag tot vrijdagochtend en of aan de nakoming van deze zorgregeling een dwangsom moet worden verbonden.
3.12.
Vast staat dat zowel de GI als de moeder bij de rechtbank om een wijziging van de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling tussen de vader en de kinderen hebben verzocht. Niet in geschil is dat de rechtbank reeds bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg met partijen de mogelijkheid heeft besproken om het onderhavige hoger beroep in te trekken. De moeder is daartoe niet overgegaan. Partijen en de overige aanwezigen hebben bij de rechtbank aangegeven dat zij toch graag een mondelinge behandeling van de voorliggende verzoeken wensten. De rechtbank heeft deze verzoeken vervolgens inhoudelijk behandeld en de beslissing op deze verzoeken aangehouden.
3.13.
Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep – gelet op voormelde ontwikkelingen na de bestreden beschikking – met partijen besproken dat het hof enkel met de uitdrukkelijke toestemming van partijen ook op de verzoeken die aan de rechtbank voorliggen kan beslissen, zodat partijen zich niet meer tot de rechtbank hoeven te wenden.
3.14.
Na een korte schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder het door haar ingestelde hoger beroep tegen de bestreden beschikking van 25 maart 2024 ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat de moeder haar grieven tegen de bestreden beschikking niet langer handhaaft.
De slotsom
3.15.
Het voorgaande brengt met zich dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek in hoger beroep.

4.De beslissing

Het hof:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en S.P.A. Wensink-Vergunst en is op 14 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.