Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:3566

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 november 2024
Publicatiedatum
14 november 2024
Zaaknummer
200.340.549_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep omgangsregeling vader en minderjarige kind

In deze zaak stond de omgangsregeling tussen een vader en zijn minderjarige kind centraal. De moeder was in eerste aanleg niet tevreden met de regeling dat zij het kind op zondag bij de vader moest ophalen en vorderde aanpassing zodat de vader het kind zou brengen en halen. De vader verzette zich tegen deze wijziging. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep werd door de ouders overeenstemming bereikt over een nieuwe omgangsregeling.

De rechtbank Limburg had eerder een omgangsregeling vastgesteld waarbij het kind in oneven weekenden bij de vader verbleef, met ophalen en terugbrengen door beide ouders op vaste tijden. De moeder wilde dit aanpassen omdat zij het ophalen op zondag lastig vond. De vader vond dat ook van de moeder enige inspanning verwacht mocht worden. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte het belang van contact tussen het kind en beide ouders.

Tijdens de zitting op 10 oktober 2024 is een nieuwe regeling overeengekomen waarbij het kind in de oneven weekenden bij de vader verblijft, waarbij de moeder het kind op zaterdag brengt en de vader het zondag terugbrengt, met een overgangsregeling vanaf november 2024. Het hof vernietigde de eerdere beschikking voor zover deze de omgangsregeling betrof en stelde de nieuwe regeling vast. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof stelt een gewijzigde omgangsregeling vast waarbij het kind in oneven weekenden bij de vader verblijft met breng- en haalmomenten zoals overeengekomen door de ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie - en jeugdrecht
Uitspraak: 14 november 2024
Zaaknummer: 200.340.549/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/288281/ FA RK 21-465
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.M.A. Kok-Verheijde,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.H.M. Verstraten.
Deze zaak gaat over de minderjarige
[minderjarige](hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 februari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 april 2024, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van de beslissing van de rechtbank dat de moeder [minderjarige] op zondag om 18:00 uur in de oneven weekenden na afloop van de omgangsregeling bij de vader dient op te halen en te bepalen dat in het kader van de omgangsregeling, welke plaatsvindt in de oneven weekenden, de vader [minderjarige] dient op te halen aan het begin van de omgangsregeling en [minderjarige] aan het einde van de omgangsregeling naar de moeder terug dient te brengen. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 juli 2024, heeft de vader verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en/of alle verzoeken van de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze verzoeken te ontzeggen als zijnde rechtens ongegrond en/of onbewezen. Kosten rechtens.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2024.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
  • de moeder, bijgestaan door mr. Kok-Verheijde;
  • de vader, bijgestaan door mr. Verstraten;
  • de raad vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg van 29 maart 2022, 17 december 2022, 14 april 2023 en 22 januari 2024;
  • het verzoekschrift van de vader met bijlagen in de procedure in eerste aanleg, ingekomen op 31 mei 2024;
  • de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaat van de moeder overgelegde pleitaantekeningen.

3.De beoordeling

3.1.
Partijen hebben geen relatie met elkaar gehad en hebben ook niet met elkaar samengewoond. Uit de moeder is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend.
De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder
.
3.2.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, een omgangsregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven:
- [minderjarige] verblijft tot en met de zomervakantie 2024 eenmaal per twee weken in het oneven weekend van zaterdag tot en met zondag bij de vader waarbij de vader [minderjarige] op zaterdag tussen 8.30 en 9.00 uur ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] op zondag om 18.00 uur ophaalt bij de vader;
- [minderjarige] verblijft vanaf de zomervakantie 2024 eenmaal per twee weken in het oneven weekend van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 18.00 uur bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en de moeder [minderjarige] ophaalt bij de vader. De vakanties en de feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld.
3.3.
De moeder kan zich met de beslissing ten aanzien van de reguliere regeling voor wat betreft het ophalen van [minderjarige] door haar bij de vader op de zondag om 18.00 uur, niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
Volgens de moeder dient de door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te worden aangepast in die zin dat de vader [minderjarige] dient te brengen en op te halen. De moeder ziet - kort gezegd - geen mogelijkheden om [minderjarige] zelf op de zondag bij de vader op te halen.
3.5.
De vader heeft de grieven van de moeder gemotiveerd betwist. Hij vindt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat van de moeder ook enige inspanning in het halen en brengen mag worden verwacht.
3.6.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling benadrukt dat het voor [minderjarige] van belang is om contact te hebben met beide ouders. Het is aan de ouders om er actief voor te zorgen dat [minderjarige] een band kan opbouwen met beide ouders. De raad vindt het belangrijk dat het contact tussen [minderjarige] en de vader zo snel mogelijk weer wordt hersteld
.
Omgangsregeling
3.7.
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof met de moeder en de vader de mogelijkheden onderzocht om overeenstemming tussen hen te bereiken over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] en dan in het bijzonder over het halen en brengen van [minderjarige] . Partijen zijn het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden.
Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat de grieven van de moeder ten aanzien van de omgangsregeling niet langer worden gehandhaafd en dat zij haar verzoek wijzigt overeenkomstig de overeenstemming. De vader heeft hiermee ingestemd. De raad kan zich vinden in de regeling zoals getroffen door partijen.
3.8.
De ouders hebben concreet het volgende afgesproken.
- [minderjarige] verblijft eenmaal per twee weken in het oneven weekend (afgesproken is dat dit de weekenden van 12 oktober 2024, 26 oktober 2024 en 9 november 2024 betreft) van zaterdag tot en met zondag bij de vader waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag om 10.00 uur bij de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag om 18.00 uur terugbrengt bij de moeder.
Vanaf 22 november 2024 geldt:
- [minderjarige] verblijft eenmaal per twee weken in het oneven weekend bij de vader, waarbij telkens voor het eerste weekend geldt dat de moeder [minderjarige] vrijdag voor 17.00 uur naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag om 18.00 uur terugbrengt bij de moeder en waarbij telkens voor het tweede weekend geldt dat de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en hij haar op zondag om 18.00 uur terugbrengt bij de moeder.
Proceskosten
3.9.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, zoals gebruikelijk is in procedure die zaken van personen- en familierecht betreffen.
3.10.
Het voorgaande brengt mee dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en overeenkomstig de bereikte overeenstemming als volgt zal beslissen.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 15 februari 2024, doch uitsluitend voor zover het de reguliere omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige] betreft;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt tussen de vader en
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , de volgende omgangsregeling vast:
- [minderjarige] verblijft eenmaal per twee weken in het oneven weekend, in de weekenden van 12 oktober 2024, 26 oktober 2024 en 9 november 2024, van zaterdag tot en met zondag bij de vader waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag om 10.00 uur bij de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag om 18.00 uur terugbrengt bij de moeder.
Vanaf 22 november 2024 geldt:
- [minderjarige] verblijft eenmaal per twee weken in het oneven weekend bij de vader, waarbij telkens voor het eerste weekend geldt dat de moeder [minderjarige] vrijdag voor 17.00 uur naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag om 18.00 uur terugbrengt bij de moeder en waarbij telkens voor het tweede weekend geldt dat de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en hij haar op zondag om 18.00 uur terugbrengt bij de moeder;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, E.P. de Beij, E.M.D.M. van der Linden, en is op 14 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.