Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.De zaak in het kort
2.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/392113 / HA ZA 21-686)
3.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met daarbij het procesdossier in eerste aanleg;
- de memorie van antwoord met één productie.
4.De beoordeling
man, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De man heeft de vrouw ter zake van de vermogensrechtelijke afwikkeling gedagvaard in België, omdat de Belgische rechter op dat moment de enige bevoegde rechter was. De rechtbank in [plaats 2] heeft uitspraak gedaan en bepaald dat partijen de gemeenschap nog moeten verdelen en notaris [notaris] benoemd om over te gaan tot verdeling. De notaris heeft in augustus 2020 een staat van vereffening opgemaakt. Omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over de verdeling, heeft de notaris vervolgens een advies opgesteld. Dit advies is door de notaris niet naar de rechtbank gestuurd, omdat de vrouw haar deel in de notariskosten niet heeft voldaan. De man had niet de mogelijkheid het deel van de kosten van de vrouw te voldoen. In België loopt er dus geen procedure meer. De huwelijksgemeenschap van partijen is daarom nog niet volledig verdeeld. De Nederlandse rechter is thans bevoegd om kennis te nemen van de reconventionele vordering van de man.
vrouwheeft de stellingen van de man betwist. Deze betwisting zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
manheeft in hoger beroep één grief aangevoerd. Deze grief keert zich tegen rov. 4.23. tot en met 4.25 van het bestreden vonnis. Daarin heeft de rechtbank - samengevat - als volgt overwogen:
vrouwheeft de grief weersproken. Zij voert het volgende aan. Het is niet duidelijk waar de man zijn vordering op baseert. Volgens de man heeft hij zich - zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - niet beroepen op art. 1:164 BW Pro, maar heeft hij een vordering ingesteld tot verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende gemeenschap op grond van boek 3, titel 7 BW. Als de man hiermee stelt dat de woning onderdeel uitmaakt van de ontbonden huwelijksgemeenschap, dan ziet de vrouw niet hoe dit moet worden gezien in het licht van de overweging van de rechtbank dat de woning op de peildatum niet tot de huwelijksgemeenschap behoort. Het verzoekschrift tot echtscheiding is immers door de vrouw op 4 november 2015 bij de rechtbank ingediend. De huwelijksgemeenschap van partijen is per die datum ontbonden. De peildatum voor de samenstelling en de omvang van de huwelijksgemeenschap van partijen is dus 4 november 2015. De woning is op 19 oktober 2015 aan de zoon geleverd. De woning behoort op de peildatum niet tot de huwelijksgemeenschap en deze kan dus ook niet verdeeld worden. Verder is het onduidelijk waar de man zich met zijn stelling dat de vrouw een vergoeding verschuldigd is aan de gemeenschap ter hoogte van de taxatiewaarde van de woning, op baseert. De volmacht tot verkoop van de woning is door beide partijen afgegeven aan de dochter. Als de man meent dat in strijd met de volmacht is gehandeld, had hij een vordering moeten instellen jegens de gevolmachtigde. Het handelen van de gevolmachtigde kan niet leiden tot een veroordeling van de vrouw om een vergoeding aan de gemeenschap te voldoen. Bovendien betreft een dergelijke vordering geen verdelingsvordering, terwijl dit laatste volgens de man de grondslag is. De vrouw kan de man niet volgen in zijn betoog dat hij zijn vordering binnen de driejaarstermijn van lid 2 van art. 1:164 BW Pro heeft ingesteld. De man stelt immers dat hij geen beroep doet op art. 1:164 BW Pro. Daar komt bij dat de vordering in de procedure in België (in 2018) een vordering tot verdeling betreft. De vrouw concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
hofoverweegt als volgt.