De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter die het verzoek tot ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van een nieuwe bewindvoerder afwees. De rechthebbende klaagde over het gebrek aan financiële ondersteuning en communicatieproblemen met de bewindvoerder, wat haar lichamelijke klachten verergerde.
De bewindvoerder stelde dat zij haar taken naar behoren uitvoerde en dat de moeizame samenwerking mede voortkwam uit de problematiek van de rechthebbende. De beoogd bewindvoerder gaf aan beter geschikt te zijn vanwege een groter team en meer flexibiliteit.
Het hof oordeelde dat hoewel de huidige bewindvoerder haar taken adequaat uitvoerde, de verstandhouding volledig verstoord is en dit een gewichtige reden vormt voor ontslag. Het hof vernietigde de eerdere beschikking, ontsloeg de huidige bewindvoerder en benoemde de beoogd bewindvoerder per 26 september 2024.