In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 28 april 2022 beoordeeld betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit deelname aan een criminele organisatie en illegale vuurwerkhandel.
De rechtbank stelde het voordeel vast op €204.003 en legde een betalingsverplichting van €183.603 op. Het openbaar ministerie vorderde een hogere vaststelling van het voordeel en een hogere betalingsverplichting. Het hof heeft de argumenten van het openbaar ministerie en de verdediging onderzocht, waarbij het aantal ingevoerde containers, de bruto winstmarche, de illegaliteitsfactor en de toerekening van het voordeel centraal stonden.
Het hof bevestigde het aantal containers op 12 in 2006, de gehanteerde bruto winstmarche van 47,33% en verwierp de toepassing van een illegaliteitsfactor. De verdeelsleutel van het voordeel werd eveneens bevestigd op 70% voor betrokkene. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep matigde het hof de betalingsverplichting met 15%, waardoor deze werd vastgesteld op €173.402.
Het arrest vernietigt het vonnis voor zover het de betalingsverplichting betreft en bevestigt het verder. Het hof baseert zich op artikel 36e Wetboek van Strafrecht en de concrete bewijsvoering uit de onderliggende strafzaken.