Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2024:2666

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
200.323.526_03 en 200.323.565_03 en 200.323.708_03
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheren wegens schijn van vooringenomenheid in civiele procedure

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen raadsheer mr. A.C. van Campen vanwege vermeende schijn van vooringenomenheid, omdat hij eerder betrokken was bij een procedure met dezelfde rechtsvraag. Dit verzoek volgde op een eerder afgewezen wrakingsverzoek tegen dezelfde raadsheer.

De wrakingskamer oordeelde dat het enkele feit dat de raadsheer eerder een zaak behandelde waarin de echtgenoot van verzoekster betrokken was, geen zwaarwegende aanwijzing vormt voor vooringenomenheid jegens verzoekster. De objectieve schijn van partijdigheid ontbrak, zodat de kamer de zaak in de huidige samenstelling mocht behandelen.

Verzoekster kon zich niet verenigen met deze situatie en diende opnieuw een wrakingsverzoek in, dat eveneens ongegrond werd verklaard. De wrakingskamer stelde dat dit tweede verzoek misbruik van het wrakingsmiddel betreft en bepaalde dat een eventueel volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

De procedure in de hoofdzaken wordt voortgezet in de bestaande samenstelling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2024 door de raadsheren Van Rijkom, Stienissen en Schulten.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer Van Campen wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer
registratienummers: 200.323.526/03, 200.323.565/03 en 200.323.708/03
datum beslissing 18 maart 2024
beslissing op het mondelinge verzoek als bedoeld in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in de zaak met zaaknummer 200.323.526/01 van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. M.J.W. van Ingen te ’s-Hertogenbosch (onttrokken),
tegen:
mr. [curator]; in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [B.V.] B.V. in Liquidatie,
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in principaal appel, appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. R. van der Pas te Eindhoven,
en in de zaak met zaaknummer 200.323.708/01 van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. M.J.W. van Ingen te ’s-Hertogenbosch (onttrokken),
tegen:
[geïntimeerde],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. Meuleman te Amsterdam.
en in de zaak met zaaknummer 200.323.565/01 van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. R.P.G. Schelvis te ’s-Hertogenbosch (onttrokken),
tegen:
[geïntimeerde],
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. Meuleman te Amsterdam.
hierna te noemen: “verzoekster”,
strekkende tot wraking van mrs. N.W.M. van den Heuvel, voorzitter, en A.C. van Campen en C.B.M. Scholten van Aschat, leden, raadsheren in de civiele sector van het gerechtshof te
’s-Hertogenbosch, hierna gezamenlijk: de kamer.

1.Het procesverloop

1.1
De wrakingskamer stelt het procesverloop vast in samenhang met het aan dit wrakingsverzoek voorafgaande en aan de wrakingskamer ambtshalve bekende wrakingsverzoek van verzoekster tegen het lid van de kamer mr. A.C. van Campen (hierna ook: het eerste wrakingsverzoek).
1.2
Bij brief van 8 maart 2024 heeft mr. Schelvis aan de kamer het volgende geschreven: “(…) Cliënte heeft mij gevraagd om aan uw gerechtshof het verzoek te doen om raadsheer mr. A.C. van Campen te vervangen door een andere raadsheer, nu hij eerder betrokken is geweest bij de procedure welke heeft geleid tot het arrest d.d. 19 december 2023 (en waarbij dus feitelijk dezelfde rechtsvraag centraal stond) en waartegen cassatie wordt aangetekend.
Ik wil Uw hof dan ook in overweging geven om de inhoud van dit schrijven onder de
aandacht te brengen van raadsheer mr. A.C. van Campen, zodat er voor aanvang van de
mondelinge behandeling door hem een afweging kan worden gemaakt om wel/niet als
raadsheer in de thans tussen partijen lopende procedures te blijven optreden.”.
1.3
Bij e-mailbericht van maandag 11 maart 2024 om 09:48 uur heeft de griffie namens de kamer aan mr. Schelvis (met cc. aan mrs. Van Ingen, Van der Pas en Meuleman) medegedeeld: “Het hof heeft kennisgenomen van uw verzoek van afgelopen vrijdag 8 maart jl. Het hof ziet geen aanleiding uw verzoek te honoreren en raadsheer mr. A.C. van Campen ziet geen aanleiding te verzoeken om zich te mogen verschonen.”
1.4.
In aansluiting op de mededeling onder 1.3 heeft mr. Schelvis, mede namens mr. Van Ingen, bij e-mailbericht van 11 maart 2024 om 11:34 uur medegedeeld namens zijn cliënte een wrakingsverzoek in te dienen tegen mr. A.C. van Campen in de in aanhef genoemde hoofdzaken.
1.5
Dit eerste wrakingsverzoek is ter zitting van de wrakingskamer van 11 maart 2024 vanaf 13:10 uur behandeld. Bij aansluitende mondelinge uitspraak van de wrakingskamer van gelijke datum is het wrakingsverzoek tegen mr. Van Campen afgewezen.
1.6
Na behandeling van het eerste wrakingsverzoek is de kamer begonnen met de (geplande) mondelinge behandeling van de hoofdzaken waarbij volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal het volgende is voorgevallen:
“Na de introductie van de zaak deelt [betrokkene] [de gemachtigde echtgenoot van verzoekster, toev. Wrakingskamer] mede dat hij het hof wraakt. (…)”.
Mrs. Schelvis en Van Ingen hebben zich vervolgens, na overleg met de deken, onttrokken als advocaat van [appellante].
1.7
Bij brief van 13 maart 2024 heeft de wrakingskamer de ontvangst van het (tweede) wrakingsverzoek aan partijen bevestigd en medegedeeld dat bericht over de verdere behandeling van dit verzoek volgt.
1.8
De voorzitter heeft namens de kamer op 14 maart 2024 aan de wrakingskamer medegedeeld dat niet in wraking wordt berust.
1.9
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek in raadkamer behandeld en beslist dat het wrakingsverzoek buiten zitting wordt afgedaan.

2.Het standpunt van verzoekster

2.1
Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal voert ([betrokkene] namens) verzoekster aan: “De grond voor wraking is als volgt. Het verzoek aan raadsheer Van Campen om zich te verschonen is niet gehonoreerd en het wrakingsverzoek ten aanzien van raadsheer Van Campen is ook niet gehonoreerd. Volgens [betrokkene] volgt de schijn van vooringenomenheid van het hof uit het feit dat het hof deze procedures toch behandelt met een combinatie waarvan raadsheer Van Campen deel uit maakt.”.

3.De beoordeling

3.1
Op grond van artikel 36 Rv Pro kan elk van de rechters die een zaak behandelen, door een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De wet voorziet evenwel niet in wraking van het gehele hof. Voor zover ([betrokkene] namens) verzoekster wraking beoogt van raadsheren die geen bemoeienis hebben met de (behandeling van de) hoofdzaken, bestaat daarvoor dus geen grond. Voor zover het wrakingsverzoek is gericht tegen de behandelend kamer, overweegt het de wrakingskamer verder als volgt.
3.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient onderscheid gemaakt te worden tussen de subjectieve en objectieve aspecten van de gestelde (vrees voor) vooringenomenheid van de rechter. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter bij die feiten of in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. De rechter dient zich in dat geval van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. Dit is de objectieve partijdigheid, met andere woorden de
schijn van partijdigheid kan voldoende zijn om de rechter te wraken.
3.4.
Zoals is overwogen in de beslissing op het eerste wrakingsverzoek brengt het enkele feit dat de rechter eerder een beslissing heeft gegeven ten aanzien van de echtgenoot van verzoekster niet mee dat deze rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is, vgl. HR 1 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:292.
Dat de zaak van de echtgenoot van verzoekster is behandeld door een kamer van het hof waarin een lid zitting had (mr. Van Campen) en waarin volgens verzoekster eenzelfde rechtsvraag wordt behandeld als in de eerdere zaak, levert niet een zwaarwegende aanwijzing op als bedoeld in 3.2, vgl. ook HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR2014:3041, rov. 2.2.2.
3.5.
Blijkens het onder 2. vermelde kan verzoekster zich er niet mee verenigen dat, het eerste wrakingsverzoek tegen mr. Van Campen afgewezen zijnde, de kamer de hoofdzaken behandelt terwijl mr. Van Campen daarvan deel uitmaakt. De wrakingskamer vermag evenwel niet in te zien dat waar het eerste wrakingsverzoek nietgegrond geoordeeld is, de kamer de hoofdzaken niet zou kunnen of mogen behandelen in een samenstelling met mr. Van Campen; de schijn van vooringenomenheid van het hof valt daaruit niet af te leiden. Sterker nog, de zaak is aan díe kamer toebedeeld en dient door díe kamer behandeld te worden, behoudens een gegrond geoordeeld verschonings- of wrakingsverzoek. En daarvan heeft de wrakingskamer nu juist geoordeeld dat die grond ten aanzien van mr. Van Campen ontbreekt. Dit tweede wrakingsverzoek is dus eveneens ongegrond en zal worden afgewezen.
Door niettemin opnieuw een wrakingsverzoek in te dienen maakt verzoekster misbruik van het wrakingsmiddel. Op voet van artikel 39 lid 4 Rv Pro zal de wrakingskamer bepalen dat een eventueel volgend wrakingsverzoek van verzoekster niet in behandeling wordt genomen.

4.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;
bepaalt dat in de hoofdzaken een volgend wrakingsverzoek van verzoekster niet in behandeling wordt genomen;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, de andere partijen, en (de leden van) de kamer.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. van Rijkom, M.G.W.M. Stienissen en E.H. Schulten, bijgestaan door mr. T. Kuijs, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2024.