In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd. De zaak betreft een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, oorspronkelijk vastgesteld op €9.000,00.
De betrokkene had hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, waarbij primair afwijzing van de vordering werd bepleit. Subsidiair verzocht de verdediging om in mindering te brengen de kosten gerelateerd aan het verhuren van stallen, waaronder waterschapslasten, verzekeringskosten en onroerendezaakbelasting.
Het hof heeft het onderzoek op de terechtzitting van 12 juli 2024 en eerdere stukken betrokken. De advocaat-generaal vorderde bevestiging van het vonnis. Het hof oordeelde dat het grootste deel van de stallen legaal in gebruik was, wat aanleiding gaf tot matiging van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot €5.870,70.
Uiteindelijk bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank integraal, met inachtneming van de feitelijke situatie en de gemaakte kosten, en legde de betalingsverplichting op het gematigde bedrag vast.