De verdachte werd door de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld tot 13 maanden gevangenisstraf wegens meerdere feiten in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, waaronder handelen in vereniging en meermalen overtreden van verboden. Tevens werd een voorwaardelijke straf ten uitvoer gelegd.
Namens de verdachte werd beperkt hoger beroep ingesteld tegen de bewezenverklaring van feit 5 en de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep trok de raadsman het hoger beroep tegen feit 5 in, maar handhaafde het beroep tegen de tenuitvoerlegging.
Het hof oordeelde dat deze beperking van het hoger beroep niet geoorloofd was, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in het hoger beroep. De beslissing van de rechtbank blijft daarmee in stand. Mr. O.A.J.M. Lavrijssen kon het arrest niet medeondertekenen.