Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van een vals identiteitsbewijs, zijnde een Pools rijbewijs, en het rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs. Hij stelde in hoger beroep primair vrijspraak en subsidiair ontslag van rechtsvervolging wegens afwezigheid van schuld. Het hof verwierp deze verweren op basis van het bewijs, waaronder de bevindingen van een documentdeskundige en de ongeloofwaardige verklaring van verdachte over de herkomst van het rijbewijs.
Het hof oordeelde dat het rijbewijs een wettelijk erkend identiteitsbewijs is en dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het vals was. Ook het verweer dat het rijbewijs echt was en dat verdachte te goeder trouw handelde werd verworpen. Bij de strafoplegging hield het hof rekening met de ernst van de feiten, de recidive van verdachte en de financiële impact van de straf.
Het hof legde een gevangenisstraf op van 4 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en bevestigde de beslagbeslissingen van verbeurdverklaring van de motorfiets en onttrekking aan het verkeer van het valse rijbewijs. Het vonnis van de politierechter werd in zoverre vernietigd en opnieuw recht gedaan.