In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd inzake de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank had dit bedrag eerder vastgesteld op €143.732 en een betalingsverplichting opgelegd van hetzelfde bedrag. Het hof kwam tot een andere beslissing, waarbij rekening is gehouden met informele procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging.
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 14 maart 2024 bevestigden beide partijen hun instemming met een betalingsverplichting van €110.000, lager dan het geschatte voordeel. De advocaat-generaal en de verdediging hebben gezamenlijk een voorstel gedaan dat het hof heeft bekrachtigd. Het hof benadrukte dat het hier niet gaat om een formele schikking zoals bedoeld in artikel 511c Sv, maar om een informele overeenkomst die zorgvuldig en vrijwillig tot stand is gekomen.
Het hof stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel definitief vast op €143.732 en legde de betalingsverplichting op €110.000. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van de gijzeling op drie jaar, conform de wettelijke bepalingen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en houdt rekening met de redelijke termijn en omstandigheden van de zaak.