De rechthebbende heeft in eerste aanleg verzocht om opheffing van het bewind over zijn goederen, ingesteld vanwege zijn lichamelijke of geestelijke toestand. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen en een nieuwe bewindvoerder benoemd. In hoger beroep betoogt de rechthebbende dat hij met hulp van Budgetbeheer zijn financiën zelf kan beheren en dat het bewind onnodig is.
Het hof overweegt dat het bewind is ingesteld vanwege de lichamelijke en/of geestelijke toestand van de rechthebbende, maar dat niet duidelijk is welke concrete problematiek destijds tot het bewind leidde. Ook is onvoldoende aangetoond dat de situatie zodanig is verbeterd dat opheffing verantwoord is. De bewindvoerder heeft nog steeds zorgen en stelt dat de rechthebbende niet voldoende inzicht geeft in zijn financiële situatie.
Het hof benadrukt dat het bewind de rechthebbende momenteel niets kost omdat de kosten worden gedekt door bijzondere bijstand, terwijl Budgetbeheer kosten met zich meebrengt die de rechthebbende waarschijnlijk niet kan dragen. Gezien het gebrek aan concrete onderbouwing en het standpunt van de bewindvoerder, bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en wijst het het hoger beroep af.