Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met het procesdossier van de eerste aanleg en producties 1 tot en met 4, ingekomen ter griffie op 2 januari 2024;
- het verweerschrift hoger beroep, ingekomen ter griffie op 8 maart 20024;
3.De beoordeling
“(…) Als we de zaak van vandaag platslaan, dan is de heer [appellant] (…) van mening dat [verweerster] B.V. (…) zich niet aan de spelregels rondom afspiegeling en herplaatsing heeft gehouden en ernstig verwijtbaar gedrag heeft vertoond. Dat is de kern van het verhaal waar het om gaat. Op grond daarvan meent [appellant] aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding en een billijke vergoeding. (…)”
impliciettegen oordeel van de kantonrechter over de bedrijfseconomische noodzaak heeft willen grieven, verwerpt het hof deze grief. [appellant] heeft niet, althans onvoldoende betwist dat zijn werkzaamheden als transformation consultant niet tot positieve financiële resultaten (en volgens [verweerster] zelfs tot verlies) voor [verweerster] heeft geleid. Het stond [verweerster] als werkgever in redelijkheid vrij om uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering in die situatie voor een andere inrichting van de activiteiten op dit punt te besluiten (meer in het bijzonder om te besluiten de transformation consultancy activiteiten te staken), ook al leidde dit tot het vervallen van de arbeidsplaats van [appellant] .
[moederonderneming]” (onderstreping hof). De enkele vermelding van “ [moederonderneming] ” maakt nog niet dat niet [verweerster] maar [moederonderneming] als werkgever kan worden aangemerkt. Daarbij overweegt het hof dat [verweerster] ter zitting bij het hof gemotiveerd heeft aangevoerd dat er geen [moederonderneming] -werkgever bestaat, anders dan het [moederonderneming] -moederbedrijf dat is genoteerd aan de London Stock Exchange en dat [moederonderneming] een netwerk/concern is van heel veel separate vennootschappen in binnen- en buitenland. Evenmin is naar het oordeel van het hof van belang dat [appellant] bij indiensttreding bij [verweerster] een “code of business conduct” heeft ontvangen die geldt voor het hele [moederonderneming] -concern. Die code gold kennelijk voor alle tot het concern behorende zelfstandige vennootschappen en dat gegeven zegt niets over de vraag welke vennootschap als werkgever van [appellant] moet worden gezien. Tot slot acht het hof het niet relevant dat de digitale handtekening van [appellant] tijdens zijn dienstverband bij [verweerster] “ [moederonderneming] ” vermeldt: ook daaruit valt niet af te leiden dat niet [verweerster] , maar een andere entiteit (volgens [appellant] “ [moederonderneming] ”) als werkgever moet worden beschouwd.
binnen de onderneming van werkgever(cursivering hof). Als de redelijke toepassing van het afspiegelingsbeginsel dit, gelet op de omstandigheden, met zich brengt, worden, in afwijking van het eerste lid van artikel 14 uitwisselbare Pro functies bij verschillende ondernemingen van de werkgever of onderdelen van een onderneming van de werkgever die worden aangemerkt als bedrijfsvestiging, samengenomen (lid 2 van artikel 14 Ontslagregeling Pro).