3.13.Het hof overweegt het volgende.
De ontvankelijkheid in hoger beroep
3.13.1.Uit de brief van [instantie 4] aan de raad van 1 november 2023 volgt dat [instantie 4] geen uitvoering heeft kunnen geven aan het BOR 3-traject. [instantie 4] heeft daarom het traject bij de raad en de rechtbank teruggelegd. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken dat de raad inmiddels een aanvullend onderzoek is gestart. Dit onderzoek bevindt zich momenteel in de afrondende fase. Het hof dient daarom allereerst te beoordelen of de moeder nog steeds een belang heeft bij het onderhavige hoger beroep.
Het hof overweegt hieromtrent dat de rechtbank in de bestreden beschikking in rechtsover-weging 6.5. heeft overwogen dat:
(…)
“Mocht blijken dat de moeder niet meewerkt aan het door de rechtbank opgelegde BOR3-traject, die geen vrijblijvend karakter heeft, kan dat voor de rechtbank aanleiding zijn — indien daartoe een verzoek wordt ingediend — een prikkel tot nakoming zoals een dwangsom op te leggen om de moeder alsnog te stimuleren om zich te gaan en te blijven inspannen”.
(…)
Het hof stelt vast dat de vader bij verzoekschrift tot het treffen van voorlopige voorzieningen van 14 november 2023 de rechtbank heeft verzocht om aan de moeder een dwangsom op te leggen, als prikkel tot nakoming van de bestreden beschikking. Dit maakt – naar het oordeel van het hof – dat de moeder nog steeds een belang heeft bij het onderhavige hoger beroep. Dat de rechtbank op dit moment nog niet is overgegaan tot het plannen van een mondelinge behandeling maakt het voorgaande niet anders. Het hof komt daarom aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep toe.
De inhoudelijke beoordeling
3.13.2.Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
3.13.3.Ingevolge artikel 1:377a lid 3 aanhef en sub a en b BW ontzegt de rechter het recht op omgang indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind en indien degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang.
3.13.4.Tussen partijen is in geschil of er een BOR 3-traject tussen de vader en [minderjarige] dient te worden vastgesteld.
3.13.5.Het hof stelt voorop dat omgang tussen een niet-verzorgende ouder en een minderjarige in beginsel nodig is voor een goede (identiteits)ontwikkeling van een minderjarige. Op grond van de stukken en het besprokene tijdens mondelinge behandeling in hoger beroep is echter gebleken dat er in deze zaak complexe factoren aanwezig zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de beantwoording van de vraag of een BOR 3-traject tussen de vader en [minderjarige] op dit moment in het belang van [minderjarige] is.
3.13.6.Allereerst is er sprake van agressieregulatieproblematiek aan de zijde van de vader en heeft de relatie tussen de ouders een zeer turbulent en explosief verloop gekend. De verstandhouding tussen partijen is hierdoor ernstig verstoord geraakt. Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling blijkt hieromtrent het volgende. Het agressieregulatieprobleem van de vader heeft er (mede) toe geleid dat een tweetal eerder door de rechtbank gelaste BOR-trajecten bij [instantie 6] (in de periode van augustus 2017 tot half januari 2018) respectievelijk bij de [instantie 1] (in de periode van mei 2018 tot en met augustus 2018) niet succesvol zijn afgerond. Zo staat vast dat het BOR-traject in 2018 bij de [instantie 1] is beëindigd vanwege het toenemen van dreiging en onveiligheid van de kant van de vader. Ook hebben de houding en de gedragingen van de vader ertoe geleid dat de rechtbank, bij vonnis van 17 januari 2019, aan de vader voor de periode van één jaar een contactverbod met de moeder heeft opgelegd. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 22 maart 2019 geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de moeder voortaan alleen met gezag over [minderjarige] wordt belast en dat er geen mogelijkheden bestaan om te komen tot een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] , waarbij de (emotionele maar mogelijk ook de fysieke) veiligheid voor [minderjarige] voldoende kan worden gewaarborgd. De vader heeft tegen die beschikking hoger beroep bij het hof ingesteld. Het hof heeft bij beschikking van 20 juli 2020 de beschikking van de rechtbank zowel omtrent het gezag als omtrent de omgang bekrachtigd. Wel heeft het hof daarin overwogen dat beide ouders positieve stappen hebben gezet en dat de ouders van goede wil zijn en het hof er vertrouwen in heeft dat zij in onderling overleg de omgang tussen de vader en [minderjarige] verder zullen uitbouwen, eventueel met behulp van hulpverlening. Bij vonnis van 26 april 2021 is de vader, zoals hiervoor vermeld, strafrechtelijk veroordeeld. Ook staat in dit vonnis vermeld dat het [instantie 3] heeft geconcludeerd dat er aan de zijde van de vader sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Partijen hebben ook na dit strafvonnis nog geprobeerd om in onderling overleg de omgang tussen de vader en [minderjarige] verder vorm te geven. Op 4 juni 2021 is de situatie tussen partijen echter, in het bijzijn van [minderjarige] , opnieuw geëscaleerd. De moeder heeft hiervan aangifte gedaan. De vader is van dit feit op 11 maart 2022 vrijgesproken.
3.13.7.Verder is een complicerende factor dat uit het rapport van de raad van 11 april 2023 volgt dat [minderjarige] een kwetsbaar meisje is dat in haar leven al veel onveiligheid heeft ervaren. [minderjarige] volgt hiervoor sinds 20 juni 2023 een traject bij [instantie 2] . Uit het verslag van [instantie 2] van 20 februari 2024 volgt dat de beeldvormende fase van het traject bijna is afgerond. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat binnenkort met de behandelfase, waaronder EMDR-therapie, zal worden gestart. De behandelaar bij [instantie 2] heeft in genoemd verslag aangegeven dat het noodzakelijk is dat er in de omgeving van [minderjarige] voldoende rust, stabiliteit, gevoel van veiligheid en continuïteit aanwezig is, zodat zij zich kan richten op haar behandeling en verdere algemene ontwikkelingstaken. Dit maakt – naar het oordeel van het hof – dat de draagkracht en belastbaarheid van [minderjarige] van doorslaggevend belang is bij de beantwoording van de vraag of het door de rechtbank bepaalde BOR 3-traject in het belang van [minderjarige] is.
3.13.8.Het hof is op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de in de bestreden beschikking vastgestelde voorlopige BOR 3-regeling tussen de vader en [minderjarige] op dit moment ernstig nadeel zal opleveren voor de geestelijke ontwikkeling van [minderjarige] , als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 aanhef en sub a BW. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het BOR 3-traject de behandeling van [minderjarige] zou kunnen doorkruisen, wat het hof niet in het belang van [minderjarige] acht. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor het welslagen van therapie rust en stabiliteit in de thuissituatie noodzakelijk is. Deze rust en stabiliteit komt in gevaar wanneer er uitvoering dient te worden gegeven aan het BOR 3-traject, temeer nu [minderjarige] op dit moment gelet op de inhoud van het raadsrapport en het verslag van [instantie 2] nog niet over voldoende draagkracht en belastbaarheid lijkt te beschikken om de omgang met de vader aan te kunnen gaan. Hierbij speelt ook een rol dat de moeder, waarvan [minderjarige] gelet op haar leeftijd nog afhankelijk is, de omgang met de vader op dit moment niet emotioneel kan ondersteunen. Dat de reclassering stelt dat de vader zonder gevaar omgang met [minderjarige] kan hebben, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het hof betrekt daarbij dat de reclassering niet inhoudelijk op de hoogte is van de problematiek, de behandeling, de belastbaarheid en de draagkracht van [minderjarige] .
3.13.9.Het hof is verder van oordeel dat de vader, in ieder geval op dit moment, kennelijk ongeschikt en niet in staat moet worden geacht tot omgang, als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 aanhef en sub b BW. Dat de vader van het meest recente incident dat op 4 juni 2021 tussen partijen heeft plaatsgevonden is vrijgesproken, maakt dat niet anders. De vader miskent met zijn stelling, inhoudende dat, nu alle strafzaken tegen hem zijn afgedaan de omgang met [minderjarige] weer kan gaan plaatsvinden, de impact die zijn gedragingen op [minderjarige] en haar moeder hebben gehad. Hieruit blijkt ook dat het de vader aan zelfreflectie ontbreekt. Daarnaast is blijkens het rapport van [instantie 3] sprake van een persoonlijkheidsstoornis bij de vader, waarover de vader geen openheid van zaken geeft en waarvoor de vader geen behandeling ondergaat. Het is een feit van algemene bekendheid dat een persoonlijkheidsstoornis niet vanzelf verdwijnt. De vader stelt het hof niet in de gelegenheid om zelfstandig te beoordelen of en in hoeverre deze persoonlijkheidsstoornis aan eventuele omgang met [minderjarige] in de weg staat. Verder kan de stelling van de vader, inhoudende dat hij tijdens zijn detentie agressieregulatietrainingen heeft gevolgd evenmin tot een ander oordeel leiden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de raad tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep onweersproken heeft verklaard dat de door de vader gevolgde training i-respect slechts een kortdurende training betreft, die niet op één lijn valt te stellen met een intensieve persoonlijke behandeling gericht op agressieregulatie. Daarbij komt dat de vader ook geen onderliggende stukken van deze training noch van andere trainingen (zoals behaalde certificaten) in het geding heeft gebracht. Tot slot bestaat er bij het hof geen zicht op de huidige persoonlijke situatie en de opvoedvaardigheden van de vader.
3.13.10.Het voorgaande maakt dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en het (inleidend) verzoek van de vader om een (voorlopige) omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] vast te stellen alsnog zal afwijzen.